Overslaan en naar de inhoud gaan

Ontwerp van wet dat voorziet in de omzetting van de Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten

Met de Richtlijn 2011/92/EU, die wordt gewijzigd door de Richtlijn 2014/52/EU, werd beoogd uitvoering te geven aan artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Daaruit volgt immers dat het milieubeleid van de Unie is gesteund op het voorzorgsbeginsel en op het beginsel van preventief handelen, alsook op de beginselen dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het “de vervuiler betaalt”-beginsel. In het licht van deze beginselen werd het noodzakelijk geacht dat in een zo vroeg mogelijk stadium in alle technische plannings- en beslissingsprocessen rekening zou worden gehouden met de gevolgen voor het milieu.

Tegelijk werd een harmonisatie beoogd van de beginselen inzake milieueffectbeoordeling, in het bijzonder met betrekking tot de vraag welke projecten aan milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen, de voornaamste verplichtingen van de opdrachtgevers en de inhoud van de milieueffectbeoordeling. Daarbij staat telkens de bescherming van het milieu en de verbetering van de kwaliteit van het bestaan, centraal.

De voormelde overwegingen indachtig werd met de Richtlijn 2011/92/EU het principe ingevoerd dat voor openbare en particuliere projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben slechts een vergunning kan worden verleend indien voorafgaand een beoordeling werd gemaakt van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten. Die beoordeling is gesteund op de informatie die ter zake ter beschikking wordt gesteld door de opdrachtgever, desgevallend, aangevuld door de autoriteiten en het publiek voor wie het project gevolgen zou kunnen hebben.

De Richtlijn 2011/92/EU voorziet terzelfdertijd in een onderscheid tussen (i) de projecten van bepaalde categorieën waarvan aan te nemen is dat zij aanzienlijke gevolgen hebben voor het milieu en (ii) projecten van andere categorieën die niet noodzakelijk in alle gevallen aanzienlijke gevolgen voor het milieu met zich meebrengen. De eerste categorie van projecten dient te worden onderworpen aan een systematische milieueffectenbeoordeling, terwijl de tweede categorie van projecten door de lidstaten kunnen worden ontheven van een dergelijke verplichting. Wat betreft deze tweede categorie van projecten laat de Richtlijn 2011/92 in het midden of de lidstaten op dit punt drempelwaarden of criteria vaststellen.

Met de Richtlijn 2014/52/EU wordt de Richtlijn 2011/92/EU op een aantal punten gewijzigd. Het volgt uit de consideransen van de Richtlijn 2014/52/EU dat een wijziging van de Richtlijn 2011/92/EU noodzakelijk werd geacht om de kwaliteit van de milieueffectbeoordelingsprocedure te verbeteren, de procedure in overeenstemming te brengen met de beginselen van slimme regelgeving en de samenhang en synergiën met de overige wetgeving en beleidsinitiatieven van de Unie, alsmede met de door de lidstaten voor hun bevoegdheidsdomeinen ontwikkelde strategieën en beleidsmaatregelen te versterken. Een wijziging van de bestaande regelgeving bleek evenzeer noodzakelijk teneinde de beoordelingsprocedures voor grensoverschrijdende projecten te coördineren en te vergemakkelijken.

De herziening van de Richtlijn 2011/92/EU werd bovendien ingegeven door de wens om het milieu beter te beschermen, hulpbronnen efficiënter te gebruiken en duurzame groei in de Unie te bevorderen. Daartoe werd een vereenvoudiging van de procedures noodzakelijk geacht. Tevens dienen milieuoverwegingen zoals een efficiënt en duurzaam gebruik van hulpbronnen, de bescherming van de biodiversiteit, klimaatverandering en risico’s op ongevallen en rampen te worden betrokken als elementen in de beoordelings- en besluitvormingsprocessen.

Artikel 1, g) van de Richtlijn 2014/52/EU definieert het begrip “milieueffectbeoordeling” als een proces bestaande uit verschillende onderdelen:

(i) de voorbereiding van een milieueffectbeoordelingsrapport door de opdrachtgever, zoals bedoeld in artikel 5, leden 1 en 2;
(ii) de uitvoering van raadplegingen zoals bedoeld in artikel 6 en, voor zover relevant, artikel 7;
(iii) het onderzoek door de bevoegde instantie van de in het milieueffectbeoordelingsrapport gepresenteerde informatie en in voorkomend geval van alle aanvullende informatie die door de opdrachtgever wordt verstrekt overeenkomstig artikel 5, lid 3, en van alle via de raadplegingen op grond van de artikelen 6 en 7, ontvangen relevante informatie;
(iv) de gemotiveerde conclusie van de bevoegde instantie inzake de aanzienlijke effecten van het project op het milieu, waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van het onderzoek als bedoeld onder (iii), en, indien van toepassing, haar eigen aanvullende onderzoek, en;
(v) de integratie van de gemotiveerde conclusie van de bevoegde instantie in een van de besluiten als bedoeld in artikel 8bis.

Deze milieueffectbeoordeling gaat uit van een integrale beoordeling van de “openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben”.

Te dezen dient in herinnering te worden gebracht dat de Gewesten principieel bevoegd zijn voor het leefmilieu. Op deze principiële bevoegdheid voorziet artikel 6, § 1, II, tweede lid, 2° van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen evenwel een uitzondering. Deze bepaling voorziet dat de federale overheid bevoegd is voor “de bescherming tegen ioniserende stralingen, met inbegrip van het radioactief afval”.

Hoewel de Gewesten ook zelf reeds een milieueffectbeoordeling voorschrijven en uitvoeren, mag deze zich niet uitstrekken tot de gevolgen voor het leefmilieu die betrekking hebben op ioniserende stralingen, met inbegrip van het radioactief afval. Vermits de federale overheid bevoegd is ten aanzien van de aspecten van het milieubeleid die de bescherming tegen ioniserende stralingen betreffen, kan zij binnen die grenzen de activiteiten van nucleaire inrichtingen aan een vergunning of een milieueffectbeoordeling onderwerpen.

Daaraan beoogt dit voorontwerp tegemoet te komen. De krachtlijnen en voornaamste verplichtingen worden bij wet voorzien. De verdere detailuitwerking wordt aan de Koning gedelegeerd.

Gelet op de aard van de wijzigingen aan het Europees kader inzake milieueffectbeoordelingen van projecten, dringen zich nieuwe definities en een volledig nieuw hoofdstuk op. De omzetting gebeurt via een aanvulling van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (afgekort tot “de wet van 15 april 1994”), vermits het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (verder afgekort als het “Agentschap”) op federaal niveau een centrale rol te vervullen heeft in de milieueffectbeoordeling.

Teneinde een globale beoordeling van alle milieueffecten te waarborgen, dringt zich, behalve wijzigingen op federaal bevoegdheidsniveau, een samenwerkingsakkoord in de zin van artikel 92bis van de van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 op. In dit ontwerp wordt hiertoe een specifieke rechtsgrond opgenomen. Het samenwerkingsakkoord vormt het voorwerp van onderhandelingen tussen de federale overheid en de Gewesten.

De milieueffectbeoordeling zal, in de mate dat deze betrekking heeft op het aspect van de ioniserende stralingen, met inbegrip van radioactief afval, worden omgezet door het invoegen van een nieuw hoofdstuk IIIter in de wet van 15 april 1994 en voorziet samengevat:

(i) een milieueffectbeoordeling van projecten die aanzienlijke milieueffecten op het vlak van ioniserende stralingen met zich meebrengen of kunnen meebrengen. Aan de Koning wordt een delegatie verleend om te bepalen welke projecten precies worden geviseerd door de verplichting om over te gaan tot een milieueffectbeoordeling:
(ii) een raadpleging van de betrokken instanties en overheden en van het betrokken publiek. In geval van grensoverschrijdende effecten is een bijzondere procedure voorzien om tegemoet te komen, onder meer, aan het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991;
(iii) het oordeel van het Agentschap over het milieueffectbeoordelingsrapport dan wel de screeningsnota. Het Agentschap beschikt ter zake over de nodige expertise en kan de opdrachtgever, zo nodig, om bijkomende informatie verzoeken. Het milieueffectbeoordelingsrapport resp. de screeningsnota worden vervolgens, samen met de vergunningsaanvraag, ter beoordeling aan de vergunningverlenende overheid voorgelegd. De vergunningverlenende overheid waakt er over dat de resultaten van het onderzoek nog steeds actueel zijn en houdt in het kader van deze beoordeling rekening met de resultaten van de raadplegingen vermeld in (ii);
(iv) een gemotiveerde conclusie vanwege het Agentschap over de milieueffecten, rekening houdend met de resultaten van de raadplegingen, bedoeld in (ii);
(v) de verplichting om de gemotiveerde conclusie inzake de milieueffecten van het aangevraagde project als een integraal deel van de vergunningsbesluitvorming op te nemen.

Een milieueffectenbeoordeling kan op twee wijzen verlopen. Ofwel is een milieueffectbeoordelingsrapport vereist, ofwel volstaat een screeningsnota. De voorgestelde bepalingen van Hoofdstuk IIIter leggen de regels vast voor wat betreft milieueffectbeoordelingsrapporten. De regels inzake de opmaak en beoordeling van screeningsnota’s worden nader door de Koning bepaald.