Overslaan en naar de inhoud gaan

Technische leidraad betreffende de blootstelling van vliegtuigpersoneel aan kosmische straling

  1. Doelstelling
  2. Inleiding
  3. Toepassingsgebied
  4. Definitie
  5. Werkwijze
    5.1. Algemene bepalingen
    5.2. Onderzoeksmethoden
    1. Criterium 1
    2. Criterium 2
    3. Criterium 3
    4. Criterium 4
  6. 5.3 Bjjkomende bepalingen voor jaardosissen van 1 mSv en meer
  7. Opmerkingen
  8. Bijlagen (Word)
    Bijlage I: Artikels uit het ARBIS van toepassing op de exploitatie van vliegtuigen
    Bijlage II: Praktische modaliteiten voor het indienen van een aangifte-dossier
    Bijlage III: Aangifte-formulier
    Bijlage IV: Begrenzing vliegtijden voor 1mSv/j dosisbeperking
    Bijlage V: Formulier Individuele dosisregistratie

1. Doelstelling

Deze nota bevat bijkomende inlichtingen over de informatie te verstrekken door de personen die een aangifte moeten indienen overeenkomstig Artikel 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen (afgekort: ARBIS).

2. Inleiding

Kosmische straling is een component van de blootstelling aan natuurlijke straling.
Bij langer verblijf op grote hoogte in de atmosfeer kan de dosis, opgelopen door blootstelling aan kosmische straling van die orde zijn dat vanuit het standpunt van stralingsbescherming nadere aandacht en een systematische opvolging noodzakelijk zijn. Dit is in eerste instantie het geval voor astronauten, maar kan ook het geval zijn voor sommige categorieën van vliegtuigpersoneel en zelfs voor sommige zgn. Frequent Flyers.

Om die reden heeft de Internationale Commissie voor Stralingsbescherming (ICRP) reeds in 1990 aanbevolen, om voor het vliegtuigpersoneel de blootstelling aan kosmische straling op grote hoogte als een beroepsgebonden risico in rekening te brengen.

In het Koninklijk Besluit van 20 juli 2001 wordt de blootstelling van vliegtuigpersoneel aan kosmische straling in rekening gebracht. Dit KB is de omzetting van de Europese richtlijn 96/29/EURATOM, die voor wat kosmische straling betreft op haar beurt de omzetting is van de technische richtlijn JAR-OPS 1.390 (b) opgesteld door de Joint Aviation Authorities.

Het FANC is de Belgische instantie bevoegd inzake de controle op de naleving van de bepalingen uit hoger genoemd Koninklijk Besluit.

De registratie van de op de verschillende vliegroutes opgelopen dosis is een geschikte methode gebleken voor de dosisevaluatie van het betrokken personeel . De ondernemingen die aan de verplichtingen inzake stralingsbescherming zijn onderworpen, krijgen van de wetgever de vrije keuze om de dosisregistratie te verrichten door meting of via berekening.

Het FANC raadt aan om aan de hand van de vluchtgegevens het opgelopen dosisdebiet langs de vliegroute te berekenen, met behulp van één van de speciaal daarvoor ontworpen computercodes (bv.: CARI of EPCARD) en vervolgens door middel van integratie de totale opgelopen dosis tijdens de vlucht te bepalen.

3. Toepassingsgebied

Deze nota is bestemd voor alle ondernemingen die vliegtuigen exploiteren en onderworpen zijn aan de verplichtingen zoals beschreven in de Artikelen 9 en 20 van het ARBIS (zie bijlage I).

De Wet van 27 juni 1937 definieert een onderneming die vliegtuigen exploiteert als: “Elke persoon die er de beschikking over heeft en die er voor eigen rekening gebruik van maakt; ingeval de naam van de exploitant niet in het luchtvaartuigenregister of op elk ander officieel stuk vermeld is, wordt tot bewijs van het tegendeel, de eigenaar geacht de exploitant te zijn.”

De verantwoordelijkheid voor het indienen van de aangifte en voor het voldoen aan de bijbehorende verplichtingen beschreven in het ARBIS, ligt bij de exploitant van de onderneming.

4. Definitie

Routedosis:

De routedosis is het resultaat van de integratie van het berekende of opgemeten dosisdebiet langsheen de vliegroute. De routedosis wordt uitgedrukt in micro-Sievert (genoteerd als µSv).

5. Werkwijze

5.1 Algemene bepalingen

Overeenkomstig artikel 9.1 van het ARBIS hebben ondernemingen die vliegtuigen exploiteren, de verplichting zich aan te melden bij het FANC. De praktische modaliteiten verbonden aan het indienen van een aangifte-dossier zijn vermeld in bijlage II. De ondernemingen moeten een aantal administratieve gegevens verstrekken en de dosissen, opgelopen door het vliegtuigpersoneel ten gevolge van blootstelling aan kosmische straling, schatten of meten. De gevolgde meetmethode en de resultaten van de meting of de schatting moeten deel uitmaken van de aangifte bij het Agentschap (cf. artikel 9.1 alinea 4°). De standaardvorm van het aangifte-formulier is bijgevoegd als bijlage III.

5.2 Onderzoeksmethoden

Bij het indienen van een aangifte-dossier is de toetsing aan het 1 mSv niveau voor de jaarlijks opgelopen dosis essentieel. Wanneer kan aangetoond worden dat geen enkel lid van het vliegtuigpersoneel een jaardosis van meer dan 1 mSv of meer oploopt, beperkt de aangifte zich tot het indienen van het ingevulde formulier zoals bijgevoegd in bijlage III.
Dit kan gebeuren aan de hand van één van onderstaande criteria. De criteria werden gerangschikt in volgorde van toenemende mate van bewijskracht. Overeenkomstig hiermee zijn ze in het bijgevoegd SCHEMA opgedeeld in onderzoekmethodes van niveau 1 en niveau 2.

Criterium 1:

Vlieghoogten zijn beperkt tot 6000 m en de jaarlijkse vliegtijd bedraagt niet meer dan 770 uur.
De exploitant dient op het aangifte-formulier duidelijk aan te geven op welke gronden (met aanduiding van type vliegtuigen en maximale vliegtijd) voor geen enkel lid van het vliegtuigpersoneel de jaardosis van 1mSv bereikt wordt.

Criterium 2:

Vlieghoogten zijn beperkt tot 14000 m en de jaarlijkse vliegtijd bedraagt niet meer dan 100 uur.
De exploitant dient op het aangifte-formulier duidelijk aan te geven op welke gronden (met aanduiding van maximale vlieghoogte en maximale vliegtijd) voor geen enkel lid van het vliegtuigpersoneel een jaardosis van 1mSv bereikt wordt.

Criterium 3:

Op basis van de jaarlijkse vliegtijd, de maximale vlieghoogte en de respectievelijke vliegrouten kan aan de hand van grafiek bijgevoegd als bijlage IV worden afgeleid dat geen enkel lid van het vliegtuigpersoneel een dosis van 1 mSv of meer per kalenderjaar oploopt. De exploitant dient op het aangifte-formulier duidelijk aan te geven op welke gronden (met aanduiding van jaarlijkse vliegtijd op maximale vlieghoogte per route) voor geen enkel lid van het vliegtuigpersoneel een jaardosis van 1mSv bereikt wordt.

Criterium 4:

Op basis van de jaarlijkse vliegtijd, de maximale vlieghoogte en de vliegrouten, wordt de individuele dosis bepaald met behulp van CARI of EPCARD (of een andere rekenmethode van vergelijkbare kwaliteit). Daarbij wordt de dosis van 1 mSv per kalenderjaar niet bereikt. De exploitant dient op het aangifte-formulier duidelijk aan te geven op welke gronden (met aanduiding van rekenmethode en routedosis) werd vastgesteld dat voor geen enkel lid van het vliegtuigpersoneel een jaardosis van 1 mSv wordt bereikt.

De exploitant die op basis van één van bovenvernoemde criteria vaststelt dat geen enkel lid van het vliegtuigpersoneel een jaardosis van 1 mSv of meer oploopt door blootstelling aan kosmische straling en een aangifte heeft ingediend, wordt op de hoogte gesteld van de ontvangst van de aangifte. Voor het onderzoeken van de aangifte kan het FANC van de indiener bijkomende analyses of metingen eisen. De kennisgeving van de uiteindelijke beslissing van het FANC wordt per aangetekende brief aan de indiener overgemaakt .

5.3 Bijkomende bepalingen voor jaardosissen van 1 mSv en meer

Indien toetsing aan bovenstaande criteria tot de vaststelling leidt dat het niet uitgesloten is dat sommige leden van het vliegtuigpersoneel een jaardosis oplopen van 1 mSv of meer per kalenderjaar, dient de exploitant bijkomend aan het indienen van een aangifte op basis van het aangifte-formulier zoals beschreven in bijlage III, onmiddellijk volgende maatregelen te nemen (zie artikel 9.3):

  • de individueel opgelopen dosis registreren; (door bv. gebruik te maken van de computercodes CARI of EPCARD) ;
  • de werkschema's aanpassen, indien nodig, om hoge dosissen te vermijden;
  • het betrokken vliegtuigpersoneel informeren over de gezondheidsrisico's en aangepaste vorming te verstrekken;
  • voor vrouwen, de opgelopen dosis beperken tot maximaal 1 mSv tijdens de zwangerschap.

Bijlage V geeft een standaardformaat voor de vereiste individuele dosisregistratie.

De indiener wordt op de hoogte gesteld van de ontvangst van de aangifte. Het FANC kan bijkomende analyses of metingen eisen alsook bijkomende beperkende maatregelen opleggen.

6. Opmerkingen

De situatie dient opnieuw geëvalueerd te worden wanneer er een wijziging optreedt in de exploitatievoorwaarden ( bijvoorbeeld het inzetten van andere types toestellen, andere vliegroutes of andere werktijden van het personeel) of bij herziening van de in 5.2 vermelde criteria.

SCHEMA