Overslaan en naar de inhoud gaan

Bedoelde blootstellingen

  1. Rechtvaardiging en optimalisatie
  2. Wie doet wat?

Het is mogelijk dat een vrouw, waarvan men weet dat ze zwanger is, toch diagnostosche onderzoeken of een radiotherapeutische behandeling moet ondergaan tijdens de zwangerschap. Hoewel de rechtvaardiging voor alle patiënten zorgvuldig moet bekeken worden, verdient de justificatie hier extra aandacht en moet de procedure zodanig geoptimaliseerd worden dat het embryo of de fœtus zo weinig mogelijk bestraald wordt, met behoud van het diagnostische of therapeutische voordeel voor de toekomstige moeder. Het embryo of de foetus zijn dan ook zeer gevoelig voor de gevolgen van de ioniserende straling.

1. Rechtvaardiging en optimalisatie

De rechtvaardiging van de beeldvormingsonderzoeken en de behandeling waarbij ioniserende straling, radiofarmaca, of radioactieve bronnen worden gebruikt, moeten uiteraard deel uitmaken van het proces voor de patiëntenzorg, maar aan de rechtvaardigingsoefening moet in het geval van een zwangere vrouw bijzondere aandacht worden besteed. Het ongeboren kind is inderdaad uiterst gevoelig voor ioniserende straling doordat het in volle groei is. Net zoals bij patiënten die niet zwanger zijn, moet men bij de keuze en de rechtvaardiging van de onderzoeken, de procedures of de behandelingen rekening houden met de nationaal geldende richtlijnen op het gebied van de medische beeldvorming. Bij een zwangerschap moet er evenwel extra aandacht aan de patiënten worden besteed.

Bovendien volstaat het niet dat onderzoeken of behandelingen bij een zwangere vrouw gerechtvaardigd zijn om deze dan vervolgens zonder bijzondere voorzorgen uit te voeren. Wel integendeel, eenmaal de rechtvaardigingsfase afgerond is, moet het onderzoek worden geoptimaliseerd. De optimalisatie moet ook gebeuren wanneer er geen sprake is van een zwangerschap, maar er moet rekening worden gehouden met een eventuele zwangerschap. Het doel bestaat erin de risico’s voor het embryo of de foetus te minimaliseren door de dosis voor deze laatste te beperken.

De dosis die door het toekomstig kind ontvangen wordt, is over het algemeen zeer laag en verhoogt het risico op misvormingen niet (het risico op spontane misvormingen komt neer op ongeveer 3% van de geboortes (5). Het risico op een storing in de hersenontwikkeling is tevens verwaarloosbaar. Het risico op inductie van kanker bestaat, maar dit risico is zo klein bij de courant gebruikte radiodiagnostische onderzoeken dat het als verwaarloosbaar kan worden beschouwd.

In de praktijk zijn het de onderzoeken van de buikstreek/ bekken (CT-scans) waarbij hoge doses worden gebruikt, die schadelijk kunnen zijn. Hetzelfde geldt voor procedures in de interventionele radiologie of radiotherapeutische behandelingen, inclusief deze in de therapeutische nucleaire geneeskunde, die tot een aanzienlijke toename van het risico op misvormingen kunnen leiden en waarbij de vraag naar een eventuele zwangerschapsonderbreking misschien moet worden gesteld.

2. Wie doet wat?

Artsen

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de verwijzend arts en de practicus. De eerder vermelde rechtvaardigingsoefening impliceert een gedeelde verantwoordelijkheid van de verwijzend arts (of tandarts) en de practicus; ze zijn hierbij dus allebei betrokken. De medische eindverantwoordelijkheid ligt evenwel bij de practicus. De verwijzend arts moet erop toezien dat de zwangerschap op de onderzoeksaanvraag wordt vermeld. Hij/zij dient dit tevens in het dossier van de patiënte te vermelden. De practicus dient vervolgens de zwangerschap in het onderzoeksverslag op te nemen. Desgevallend nemen de artsen, indien nodig, contact op met elkaar om de keuze en/of de rechtvaardiging van het radiodiagnostisch onderzoek te bespreken, alsook de interventieprocedure, of de behandeling.

Voor elk gewenst diagnostisch radiologisch of nucleair geneeskundig onderzoek of elke gewenste behandeling waarbij ioniserende straling, radiofarmaceutica of radioactieve bronnen worden gebruikt bij een zwangere vrouw, moeten de artsen tevens beoordelen of:

  • Het onderzoek of de behandeling werkelijk nodig is (kan de informatie bijvoorbeeld niet uit een eerder onderzoek worden gehaald);
  • Het onderzoek of de behandeling niet vervangen kan worden door een onderzoek of behandeling waarbij geen straling (bv. echografie, MRI), of minder straling wordt gebruikt (bv. conventionele radiologie i.p.v. een CT-scan);
  • Er geen andere radiofarmaceutisch product kan worden gebruikt dat minder straling veroorzaakt;
  • Het onderzoek of de behandeling niet kan worden uitgesteld (bij voorkeur tot na de geboorte van het kind). Op het ogenblik waarop de voordelen en de nadelen van het onderzoek,de procedure of de behandeling tegen elkaar worden afgewogen, moet er naast de urgentie van de behandeling tevens rekening worden gehouden met het gezondheidsrisico voor de vrouw wanneer ze niet wordt behandeld (dit kan in bepaalde gevallen ook een risico inhouden voor de gezondheid van het toekomstig kind) en met het risico van de behandeling van de toekomstige moeder voor de gezondheid van het toekomstig kind.

De drie eerste punten maken een geïntegreerd deel uit van het hierboven vermelde rechtvaardigingsproces en zijn van toepassing op alle patiënten, ook deze die niet zwanger zijn.

Vervolgens dient de practicus toe te zien op de optimalisatie van het onderzoek, de procedure of de behandeling zodat de dosis voor het ongeboren kind zo laag mogelijk ligt, bijvoorbeeld door gebruik te maken van beschermingsmiddelen, zoals een loodschort. Deze beschermingsmiddelen worden soms ook omwille van psychologische redenen gebruikt (om de zwangere vrouw gerust te stellen). Het feit of er al dan niet van deze beschermingsmiddelen gebruik wordt gemaakt, varieert op basis van het soort onderzoek of behandeling (bestralingsgebied, enz.). De practicus doet een beroep op de medische stralingsfysicus voor de technische aspecten van de optimalisatie.

Een belangrijke rol van de artsen is de informatieve rol: wanneer de praktische omstandigheden het toelaten en vóór de blootstelling, zien de verwijzend arts (of tandarts) en de practicus er, elk op hun niveau, op toe dat de zwangere patiënte op een voor haar correcte en begrijpelijke wijze informatie krijgt over de voordelen en risico’s inherent aan het onderzoek, de procedure of de behandeling met ioniserende straling die ze moet ondergaan.

Medische stralingsfysicus

In het kader van de optimalisering bepaalt, of adviseert de medische stralingsfysicus over de wijze waarop de dosis voor het embryo/de fœtus zo laag mogelijk kan worden gehouden, bijvoorbeeld door de aanpassing van de parameters van het toestel. Bij een procedure via interventionele radiologie, of een radiotherapeutische behandeling, inclusief via de therapeutische nucleaire geneeskunde, kan hij de dosis voor de fœtus schatten, waardoor de impact voor de gezondheid van het ongeboren kind kan worden geëvalueerd.

Gemachtigde personen (technologen of verpleegkundigen)

We mogen in dit verband de gemachtigde personen niet vergeten; deze worden gedefinieerd als de  personen waaraan de practicus (verantwoordelijke arts of tandarts) de praktische aspecten van de medische radiologische procedures kan delegeren. Ze kunnen een informatieve rol spelen en de zwangere vrouw geruststellen m.b.t. het onderzoek (de onderzoeken) of de therapieën die nodig zijn. Het zijn vaak de enige gezondheidsprofessionals die in contact komen met de patiënte.