Overslaan en naar de inhoud gaan

Radioactieve Stoffelijke Overschotten

Radioactieve Stoffelijke Overschotten

Metabole therapie en ingekapselde radioactieve implantaten worden steeds vaker gebruikt bij de behandeling van kanker. Voorbeelden zijn respectievelijk radiofarmaca zoals radium-223 dichloride voor hormoonresistente prostaatkanker met botmetastasen of met lutetium-177 gemerkte peptiden voor neuro-endocriene tumoren en jodium-125 zaadjes voor prostaatkanker.

Een patiënt aan wie een radioactief product toegediend wordt, wordt zelf een stralingsbron tot het radioactieve verval van het product tot een verwaarloosbaar stralingsniveau, rekening houdend met, voor een radiofarmacon, de eliminatie ervan uit het lichaam op natuurlijke wijze.

Behandeling met een radioactief product wordt alleen gebruikt bij patiënten met een voldoende lange levensverwachting.

Het overlijden kan echter kort na de toediening van een radioactief product optreden. De radioactiviteit is dan mogelijk niet volledig uit het lichaam verdwenen (afhankelijk van de eigenschappen van het radioactieve product, de toegediende activiteit en de tijd tussen de laatste toediening van het product en het overlijden).

Voorzichtigheidsperiode

Rekening houdend met deze parameters werd voor elke behandeling met een radioactief product een voorzichtigheidsperiode bepaald.

Wanneer een patiënt sterft na het verstrijken van deze periode of na een toediening voor diagnostische doeleinden zijn er vanuit het oogpunt van stralingsbescherming geen beperkingen of voorzorgsmaatregelen te treffen bij de behandeling van het stoffelijk overschot.

Indien een patiënt echter binnen deze voorzichtigheidsperiode sterft, moeten voorzorgsmaatregelen en beschermende maatregelen genomen worden voor personen die het lichaam behandelen (ziekenhuispersoneel en begrafenisondernemers), evenals voor het crematoriumpersoneel, familieleden, de bevolking en het leefmilieu.

Aangezien het gebruik van crematie toeneemt (zie figuur 1) worden deze maatregelen steeds belangrijker.

Figuur 1. Evolutie in de tijd van het aantal crematies in België. Blauw: aantal doden, paars: aantal crematies (bron: www.crematorium.be)

Informeren en toestemming van de patiënt

Voor de behandeling met een radioactief product aanvangt, moet de patiënt geïnformeerd worden over het feit dat, in geval van overlijden binnen de voorzichtigheidsperiode, er een radiologisch risico bestaat en dat, indien hij verkiest gecremeerd te worden, er maatregelen moeten genomen worden inzake stralingsbescherming, wat resulteert in kosten. De patiënt moet hiervoor zijn geïnformeerde toestemming geven.

Na behandeling met een radioactief product krijgt de patiënt een ontslagkaart. Bij overlijden kan er met deze kaart gecontroleerd worden of de voorzichtigheidsperiode al dan niet verstreken is. Bij overlijden in het ziekenhuis bestaat er een procedure om het radiologische risico voor het ziekenhuispersoneel te beperken.

Procedure en mogelijkheden bij overlijden binnen de voorzichtigheidsperiode

De arts die het overlijden registreert, dient het vakje "Risico op ioniserende straling" op sectie A van model III C van het overlijdensformulier aan te vinken. De arts van de burgerlijke stand wordt aldus geïnformeerd en neemt vervolgens contact op met de federale gezondheidsinspecteur van de betrokken regio. Deze laatste neemt vervolgens contact op met het FANC.

De volgende mogelijkheden bestaan en zijn te bespreken met de nabestaanden van de overledene. Ze zijn afhankelijk van verschillende factoren, zoals de voorkeur voor een begrafenis of een crematie, het deel van de voorzichtigheidsperiode dat is verstreken, kosten en praktische aspecten:

  • Begrafenis verdient de voorkeur.
  • In sommige gevallen kunnen radioactieve implantaten post mortem verwijderd worden zodat het stoffelijk overschot niet meer radioactief is en gecremeerd kan worden.
  • Anderzijds kan de crematie en/of het uitstrooien van de as uitgesteld worden. Zo'n uitstel brengt kosten met zich mee om voor het bewaren van het stoffelijk overschot  in een koude kamer of van de urne gedurende de noodzakelijke tijd.
  • Ten slotte, als de crematie tijdens de voorzichtigheidsperiode plaatsvindt (na goedkeuring van het Agentschap) moet deze onder gecontroleerde omstandigheden plaatsvinden, d.w.z. onder toezicht van een deskundige erkend in fysische controle, die voor en tijdens de procedure radioactiviteitsmetingen uitvoert. Dit brengt ook kosten met zich mee.

Meer informatie vindt u in de onderstaande documenten.

Tabel 1. Radioactieve producten met doorgaans  toegediende activiteit, maximale activiteit op het moment van de crematie en bijhorende voorzichtigheidsperiode

Radioactieve product Toegediende activiteit1 (MBq) Maximale activiteit bij de crematie (MBq) Voorzichtigheidsperiode2 (dagen)
[153Sm]-lexidronam (Quadramet®) 2960 1 13
[90Y]-ibritumomab (Zevalin®) 1110 0,1 15

[131I]-NaI voor schildklierkanker

3700 1 16
7400 1 18

[131I]-NaI voor goedaardige schildklieraandoeningen

370 1 27
555 1 29
[Lu-177]-PSMA  7400 10 28
[90Y]-colloïd 185 0,1 29
[Lu-177]-DOTATAAT  7400 10 33
[131I]-MIBG 1800 1 39
7400 1 47
[223Ra]-RaCl2 (Xofigo®) 3,6 0,1 59
[125I] implantaten 1480 1 632

1Indien de toegediende activiteit meer dan 20% afwijkt van de toegediende activiteit in deze tabel, wordt deze opnieuw berekend worden door de arts-specialist in de nucleaire geneeskunde of radiotherapie in overleg met de deskundige in de fysische controle.

2 Indien de patiënt binnen de voorzichtigheidsperiode overlijdt, moet deze opnieuw berekend worden door de arts-specialist in de nucleaire geneeskunde of radiotherapie in overleg met de deskundige in de fysische controle.

 

Laatst aangepast op: 
14/08/2020