Historische radiologische verontreiniging in Olen

Beleidsbeslissing over langetermijnbeheer radioactief radiumhoudend afval
       Nationale raadpleging
       Verdere uitwerking
Voorlopige opslag van radioactief afval op de site van Umicore in Olen
Radioactieve verontreiniging van andere sites in Olen
Historiek
Huidig actieplan van FANC, NIRAS, Umicore en OVAM
       Stappenplan
       Reglementair kader FANC (sanering)
Geschiedenis uraniumproductie


In de jaren 1920-1970 werd radium geproduceerd op de voormalige Union Minière-site in Olen. De opslag van grondstoffen, bijproducten en residuen en de lozing van gezuiverd afvalwater leidde er tot besmetting van de gronden, zowel binnen als buiten de grenzen van het fabrieksterrein. Er liggen vandaag nog altijd grote volumes radiumhoudende gronden, waarvoor een definitieve beheeroplossing nodig is. Een kleine fractie van de gronden moet als radioactief afval worden behandeld. De meerderheid van de radiumhoudende gronden is weinig radioactief, maar wel chemisch verontreinigd, en moet dus ook op een correcte manier worden beheerd. 

Beleidsbeslissing over langetermijnbeheer radioactief radiumhoudend afval

Radioactief afval wordt ingedeeld in categorieën, op basis van het soort straling en de hoeveelheid straling dat het uitstoot (laag-, middel- of hoogactief) en van de tijd dat het radioactief blijft (kort- of langlevend). Hoe hoger de radioactiviteit van het afval en hoe langer het radioactief blijft, hoe meer veiligheidsmaatregelen er nodig zijn om mens en milieu te beschermen tegen de risico’s ervan.

In België werd al een langetermijnbeleid vastgelegd voor laag- en middelactief kortlevend radioactief afval (oppervlakteberging) en voor hoogactief en/of langlevend radioactief afval (diepe berging). Het radioactief radiumhoudend afval valt grotendeels buiten die categorieën, want het is laagactief maar wel langlevend. Voor dat type afval bestaat nog geen langetermijnbeleid. Het is de verantwoordelijkheid van de Nationale instelling voor radioactief afval en verrijkte splijtstoffen (NIRAS) om voor de eindbestemming van elk type radioactief afval een beleidsvoorstel te doen aan de federale regering, die dan op basis van het advies van NIRAS de finale beslissing neemt.

De radioactief besmette gronden in Olen moeten eerst worden onderzocht en opgesplitst in categorieën van radioactief afval. Sommige gronden zullen mogelijk toch naar de toekomstige diepe berging moeten. Voor het laagactief langlevend afval stelt NIRAS een ‘ondiepe berging’ voor. Daarbij wordt het radioactief afval enkele tientallen meters onder het grondoppervlak geplaatst, in een specifiek daarvoor ontworpen installatie. Verschillende barrières zonderen het afval af en sluiten de radioactieve stoffen in, waardoor het risico op blootstelling sterk vermindert. Een ondiepe berging is dus een oplossing die zich situeert tussen berging aan de oppervlakte en berging op grote diepte (enkele honderden meters diep). Het gebruik van ondiepe berging is een internationaal gestandaardiseerde bergingsmethode voor laagactief langlevend afval.

Nationale raadpleging

In haar ontwerpplan legt NIRAS uit welke beheersoplossing ze naar voren schuift en waarom. Dit ontwerpplan gaat gepaard met een milieueffectrapportage (MER of SEA, Strategic Environmental Assessment). Daarin wordt de mogelijke impact van het ontwerpplan op mens en milieu beschreven.  Van 2 december 2024 tot en met 2 maart 2025 liep een nationale publieksraadpleging voor het ontwerpplan en het bijbehorende milieueffectrapport. In het kader van die raadpleging werd ook het advies van verschillende instanties, waaronder het FANC, gevraagd. 

De ontvangen reacties en adviezen werden verwerkt in het finale ontwerpplan, dat NIRAS in de herfst van 2025 samen met het milieueffectrapport zal voorleggen aan de federale regering. Het is dan aan de regering om een beleidskeuze te maken.

Verdere uitwerking

Als de regering ervoor kiest om voor dit soort afval de methode van ondiepe berging te gebruiken, moeten er nog enkele stappen worden gezet vooraleer men effectief met de bouw kan beginnen: het bepalen van de exacte locatie en diepte, het uitwerken van een  technisch ontwerp, het aantonen van de technische uitvoerbaarheid, het opstellen van een veiligheidsdossier, het aanvragen en bekomen van de nodige vergunningen (onder andere de oprichtings- en exploitatievergunning van het FANC), etc. Het volledige proces zal een doorlooptijd van tientallen jaren hebben en de verschillende stakeholders, waaronder de gemeente Olen en haar inwoners, zullen inspraak hebben in de uiteindelijke beslissingen.

Voorlopige opslag van radioactief afval op de site van Umicore in Olen

Om de gronden te saneren en de besmette grond tijdelijk op te slaan, bouwde Umicore (de huidige eigenaar van de site) al verschillende opslagfaciliteiten voor het radioactief afval, die door het FANC werden vergund:

UMTRAP: deze installatie bevat restanten die dateren van de sanering van de oude installatie en verontreinigde materialen;

Bankloop: deze installatie bevat verontreinigde grond uit de sanering van de Bankloop in 2007. De Bankloop is een beek die de gemeente Olen doorkruist en waarin het afvalwater van de radiumfabriek werd geloosd;

LRA 1, LRA2 en LRA3: deze drie installaties dienen voor de opslag van verontreinigde grond die afkomstig is van de sanering tijdens infrastructuurwerken in Olen.

De vergunde opslagfaciliteiten voor radioactieve materialen op de Umicore-site zijn onderworpen aan een milieucontrole door meting van radon in de omgevingslucht en meting van de radioactiviteit van het grondwater. Het FANC voert ook steekproefsgewijze metingen uit in het kader van zijn radiologisch toezichtsprogramma en vat de resultaten van deze milieumonitoring samen in zijn jaarlijkse toezichtsrapporten.

Radioactieve verontreiniging van andere sites

Naast die vergunde tijdelijke opslaginstallaties is er ook nog radioactieve besmetting op andere sites in Olen:

D1 is een voormalige stortplaats op het terrein van Umicore, waar residuen van de productie van non-ferrometalen (inclusief radium) en een deel van het puin van het voormalige radiumproductiegebouw werden gestort.

S1 is een voormalige stortplaats op het terrein van Umicore, ook bekend als ‘Bruine Berg’, die ook residuen van de productie van non-ferrometalen en met radium verontreinigd baggerslib uit de Bankloop bevat.

In mindere mate is er ook besmetting aanwezig op de voormalige ‘IOK’- stortplaats (Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen) en onder een aantal straten in Olen en buurgemeente Geel.
 

Locatie van de verschillende installaties voor de opslag van besmette grond op de site van Umicore in Olen en van de stortplaatsen D1 en S1.

Locatie van de verschillende installaties voor de opslag van besmette grond op de site van Umicore in Olen en van de stortplaatsen D1 en S1.

Hoewel er – met name op het D1-stort – sprake is van radiologische en chemische verontreiniging, is er geen direct gevaar voor de bevolking. Het D1-stort is immers omheind en niet toegankelijk voor het publiek. 

De verontreiniging vormt momenteel wel een rem op een eventuele herontwikkeling van de gronden. Ze vereisen bovendien een permanente controle en bewaking. Daarom is een globale saneringsstrategie op termijn noodzakelijk.

Historiek

Al in het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw zette het toenmalige ministerie van Volksgezondheid campagnes op om de besmetting van de gronden te meten en te karakteriseren. De meetcampagnes omvatten zowel stortplaatsen (zoals D1) als de oevers van de Bankloop en de omliggende woningen.

Een van de gevolgen van het radioactief verval van radium is de productie van radongas. Dat gas kan zich opstapelen in woningen en vormt het belangrijkste risico voor de bevolking.

Tijdens de campagnes in de jaren negentig werden de radonconcentraties gemeten in meer dan 800 huizen in Olen en Geel. De maximale waarde die toen werd gemeten (in een woonkamer) was 400 Bq/m³ (de grenswaarde is 300 Bq/m³). Een radiumbesmetting in de kelder van de woning veroorzaakte die verhoogde radonconcentratie. De woning werd toen meteen gesaneerd.

In 1993 bracht een begeleidende commissie de verschillende betrokken actoren (het ministerie van Volksgezondheid, NIRAS en het Vlaamse Gewest) samen om een globaal plan voor de aanpak van de besmetting op te stellen. Naar aanleiding daarvan vroeg de Dienst Ioniserende Stralingsbescherming van het ministerie van Volksgezondheid (de voorloper van het FANC) in 2000 aan Umicore om het D1-stort te saneren en die sanering te integreren in een globale oplossing voor de radioactieve besmetting van Olen. Die vraag leidde in 2002 tot de oprichting van het ‘BRAEM-project’. Dat project was gericht op de sanering van zowel de D1-site als de Bankloop. De Bankloop werd uiteindelijk effectief gesaneerd in 2007. De sanering van het D1-stort kon niet worden uitgevoerd, vanwege onzekerheden over het bijbehorend wettelijk kader en over de staat van de afvalstoffen die voort zouden komen uit de sanering.

Huidig actieplan van FANC, NIRAS, Umicore en OVAM

Het FANC en NIRAS werkten, in dialoog met Umicore en OVAM (voor het aspect van de chemische verontreiniging), verder aan de ontwikkeling van een allesomvattend saneringsproject voor Olen. Dat leidde in 2020 tot de publicatie van een gezamenlijk visiedocument van het FANC en NIRAS, dat voorziet in een strategie voor de nog te saneren locaties en voor de materialen die voorlopig zijn opgeslagen in de vergunde Bankloop- en LRA-faciliteiten.

De gemeenschappelijke visie is gebaseerd op een scheiding van de verontreinigde materialen – op basis van hun radioactiviteitsniveau – in vier fracties:

•    Een fractie van verwaarloosbare besmetting die geen specifieke behandeling vereist en waarbij vooral de chemische verontreiniging van belang is;
•    Een fractie van matige besmetting: hoewel niet verwaarloosbaar, kunnen de risico's van een dergelijke besmetting worden beheerst met dezelfde methoden als degene die worden toegepast op niet-radioactieve besmetting*. Deze materialen moeten daarom niet als radioactief afval worden beschouwd;
•    Een fractie van significante verontreiniging die als radioactief afval zal moeten worden beheerd, maar in een ondiepe berging kan worden opgeslagen;
•    Een fractie van acute besmetting die als langlevend radioactief afval zal moeten worden opgenomen in een diepe berging. 

*De keuze om matig besmette materialen op dezelfde manier te beheren als niet-radioactieve stoffen werd al toegepast op andere verontreinigde sites, met name de sites van de voormalige fosfaatindustrie.

Stappenplan

Vervolgens gingen het FANC en NIRAS de dialoog aan met de verschillende betrokkenen, om het visiedocument om te zetten in concrete acties. Er werden werkgroepen opgericht voor de verschillende aspecten van de saneringsoplossing:

-    de centralisatie van de bestaande documentatie over de verontreiniging;
-    het verzamelen van aanvullende gegevens over de karakterisering van de verontreiniging en de gevolgen ervan;
-    de ontwikkeling van saneringsopties;
-    de identificatie van de nog te voltooien elementen van het wetgevend kader.

Samenwerking 4 projectpartners

Het FANC, NIRAS, Umicore en OVAM stelden een stappenplan op voor het sanerings- en bergingsproject. Naarmate de verschillende fasen vorderen, wordt het stappenplan verder uitgewerkt.

Reglementair kader FANC (sanering)

De drie gewesten hebben elk regelgeving inzake bodemverontreiniging. Die is echter niet van toepassing op radioactieve verontreiniging, aangezien radioactiviteit een federale bevoegdheid is. 

Om aan die tekortkoming tegemoet te komen, kwam er de wet van 20/11/2022 betreffende het beheer van bodems verontreinigd door radioactieve stoffen. Die werd in 2024 aangevuld met een uitvoeringsbesluit, waardoor het FANC voortaan onder andere erkend deskundigen in de bodemverontreiniging kan aanstellen en verantwoordelijken voor de sanering kan aanduiden.

Eind juni 2025 duidde het FANC Umicore aan als saneringsplichtige voor de vroegere stortplaatsen D1 en S1. Umicore moet nu de nodige oriënterende en beschrijvende bodemonderzoeken uitvoeren.  

 

Geschiedenis uraniumproductie

In 1915 ontdekte een Union Minière-prospector uraniumhoudende mineralen in de Shinkolobwe-laag in Katanga. In 1921 werd deze prospectie uitgebreid en ontwikkelde Union Minière een fabricageprocédé om radium te onttrekken aan dit uraniumhoudend erts. Op 15 december 1922 werd de eerste drie gram radium geproduceerd in de fabriek van Union Minière in Olen. Union Minière werd de grootste radiumproducent ter wereld tot in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen ze de concurrentie aanging met een grote Canadese productie. Het in Olen geproduceerde radium werd in het laboratorium van Union Minière in Sint-Lambrechts-Woluwe verpakt in stralingsnaalden. Tegelijkertijd werd er ook uranium geproduceerd uit de residuen van de radiummijnbouw. Die uraniumproductie vond voor het eerst plaats in Brussel (Vorst) en werd tijdens de Tweede Wereldoorlog naar Olen overgebracht.

De radiumproductie in Olen daalde na de Tweede Wereldoorlog. Radium werd steeds minder gebruikt en werd vervangen door andere radionucliden in radiotherapietoepassingen. Rond 1970 werd de productie definitief stopgezet en begin jaren '80 werden de productiegebouwen door nucleair onderzoekscentrum SCK CEN ontmanteld. De resten van die ontmanteling werden voornamelijk opgeslagen in de UMTRAP-installatie. Een ander deel werd overgedragen aan SCK CEN en vervolgens aan radioactief afvalverwerkingsbedrijf Belgoprocess. Ten slotte werd een fractie van de ontmantelingsresiduen opgeslagen op stortplaats D1.

De productie van radioactief materiaal in Olen heeft ook geleid tot milieuverontreiniging. De vloeibare lozingen van de fabriek in Olen werden namelijk geloosd in de kreek van de Bankloop. Als gevolg daarvan werden sedimenten en oevers van de Bankloop verontreinigd met radium en andere metalen. De Bankloop werd intussen gesaneerd (in 2007). Elders werden sommige productieresiduen in het verleden gebruikt als opvulling voor infrastructuurwerken – wat leidde tot de vervuiling van bepaalde straten in Olen en Geel en van het fabrieksterrein zelf.

                           

                                               Bouw van de UMTRAP-installatie (bron: Umicore)

 

Laatst aangepast op: