NL : FR : DE
radonvoorpaginaLaatste update 27/11/2012
RADON

WETENSCHAPPELIJKE EN TECHNISCHE INFORMATIE

  1. Algemene gegevens
  2. Blootstelling
  3. Geologische factoren
  4. Radon en gezondheid
  5. Radon meten
  6. Radon onder controle houden: eenvoudige maatregelen
  7. Radon onder controle houden: diagnose
  8. Radon onder controle houden: werken
  9. Radon onder controle houden: preventie

1. Algemene gegevens


Radon is een radioactief gas dat in verschillende isotoopvormen voorkomt. Twee daarvan komen voor in de menselijke leefomgeving: radon-222, een element uit de keten van uranium-238, en radon-220 (thoron), dat een element uit de keten van thorium-232 is.
Radon-222 en radon-220 zijn onstabiel en vormen zich na verloop van tijd, met voortbrenging van verschillende vervalproducten, om tot een stabiel loodisotoop.
Radon-222 en zijn vervalproducten zijn de belangrijkste bron van blootstelling bij bevolking en werknemers.
Radon-222 en radon-220 komen voor in elke ondergrond en elk gesteente.
Afhankelijk van het uraniumgehalte kunnen de bodemconcentraties van de ene streek tot de andere sterk verschillen.

Van alle radioactieve stoffen komen enkel radon-222 en radon-220 in normale omstandigheden voor in de vorm van gas. Hierdoor kunnen ze door de ondergrond en door bouwmaterialen heen dringen en zo in gebouwen binnendringen. De radon-222- en radon-220-fracties die zich binnen een gebouw kunnen verspreiden, zijn gezien hun halfwaardetijd beperkt: die bedraagt respectievelijk 3,82 dagen en 54 seconden.
De vervalproducten van radon-222 en radon-220 zijn vaste stoffen waarvan de meeste een halfwaardetijd hebben van minder dan 30 minuten. Het zijn deze producten die longkanker kunnen veroorzaken. Het risico stijgt naargelang het aantal partikels in de lucht, net zoals bij tabaksrook. De combinatie van tabak en radon-222/radon-220 verhoogt de kans op longkanker.



De belangrijkste bron van radon is in de meeste gevallen radon-222 dat gebouwen binnendringt vanuit de bodem. Radon kan zich ook via water verspreiden, vooral wanneer dit water afkomstig is uit putten die in bepaalde gesteenten, zoals schist, zijn geboord. Sommige soorten bouwmateriaal kunnen ook een niet te verwaarlozen bron van radon zijn. Voorbeelden van bouwmaterialen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de analyse van de blootstelling aan radon zijn aluminiumoxidehoudende leisteen, bepaalde soorten graniet en producten met fosforgips, een bijproduct van de productie van fosforzuur. Tijdens de desintegratie van radon-222 en radon-220 komen ook gammastralen vrij. De blootstelling aan gammastralen is in de meeste gevallen de belangrijkste vorm van blootstelling bij bouwmaterialen.

 Terug naar boven

2. Blootstelling


Met behulp van een nationale meetcampagne in ongeveer 10.000 woningen, gevolgd door een gedetailleerde analyse in de gemeenten met de meeste blootstelling, kon de aanwezigheid van radon op het Belgisch grondgebied in kaart worden gebracht. (zie interactieve kaart)

De hoogste radonconcentraties (> 400 Bq/m³) worden het vaakst, maar niet uitsluitend, waargenomen in de arrondissementen Bastenaken, Neufchâteau en Verviers.

Zelfs al wordt niet elk gebouw in deze streken per definitie even sterk blootgesteld aan radon, dan nog is het, wanneer u er een huis bezit, mensen tewerkstelt of van plan bent er te bouwen, in uw belang om contact op te nemen met de gemeentelijke of provinciale diensten om inlichtingen in te winnen over een mogelijke radontest, of over mogelijke corrigerende of (voor nieuwe woningen) preventieve maatregelen.

Op basis van de meetresultaten blijkt dat radon in België verantwoordelijk is voor ongeveer 32 % van de totale blootstelling aan ioniserende stralen bij de bevolking, hetgeen overeenstemt met een effectieve dosis van 4,5 mSv/jaar.

Average dose Belgian population

 Terug naar boven

3. Geologische factoren


Hoewel natuurlijk uranium – de bron van radon – in alle gesteenten aanwezig is, verschilt de concentratie naargelang het soort gesteente. En zelfs bij eenzelfde soort gesteente kan de verspreiding verschillen.
Radon komt naar de oppervlakte via openingen en barsten in gesteenten.
Dicht bij het aardoppervlak kan de radonconcentratie in de bodem sterk verschillen van de ene streek tot de andere omdat de samenstelling van de ondergrond anders is of omdat de structuur anders is.

In België is er afhankelijk van de streek een groot verschil in het soort ondergrond. In het noorden van het land overheersen losse bodemsoorten, met zand- en kleilagen. In het zuiden domineren harde gesteenten, zoals kalk- , zand- en leisteen. Deze gesteenten zijn dikwijls rijker aan uranium en vertonen vaak veel meer barsten. Vooral in de Ardennen bevatten gesteenten doorgaans meer uranium. Bovendien zijn de gesteenten hier sterk geplooid en gebroken, waardoor het radon gemakkelijker naar de atmosfeer kan ontsnappen.

Aangezien radon er gemakkelijk aan de oppervlakte komt, zal het in deze streken gemakkelijker gebouwen kunnen binnendringen en er zich ophopen. Dit verklaart het verband tussen streken met veel radon en de soorten gesteente in België. Behalve het soort gesteente bepaalt ook de bodem of radon al dan niet een gebouw kan binnendringen. Een kleiachtige bodemlaag kan een barrière vormen en het radon in de bodem houden. Aangezien deze kenmerken ruimtelijk zeer sterk kunnen verschillen, lopen ook de radonconcentraties in gebouwen zeer sterk uiteen, zelfs in de risicozones.

Radonconcentratie in België

Klik hier voor de interactieve kaart

 Terug naar boven

4. Radon en gezondheid


Het belangrijkste gevolg van een verhoogde blootstelling aan radon voor de gezondheid is een stijging van het risico van longkanker. Dat blijkt duidelijk uit talrijke studies over mijnwerkers in de uraniumsector. Op basis van deze studies heeft het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek radon ondergebracht in “groep 1” van de kankerverwekkende stoffen (stof die bekendstaat als kankerverwekkend voor de mens).

Epidemiologische studies hebben ook getracht vast te stellen of radonconcentraties die in huizen werden waargenomen een groot gevaar voor de gezondheid inhielden.
Een recente meta-analyse van de belangrijkste Europese studies over het risico door blootstelling aan radon binnen de woning schat dat het risico van longkanker toeneemt met 16 % per schijf van 100 Bq/m³. De dosis-effectrelatie lijkt lineair te verlopen, zonder drempel, wat betekent dat het risico van longkanker evenredig stijgt met de blootstelling aan radon.

De resultaten van deze meta-analyse duiden erop dat wanneer een niet-roker wordt blootgesteld aan radonconcentraties van 0, 100 en 400 Bq/m³, het risico van longkanker op 75 jaar respectievelijk 4, 5 en 7/1000 bedraagt. Voor rokers wordt dit risico vermeerderd met een coëfficiënt van ongeveer 25, zodat het respectievelijk 100, 120 en 160/1000 bedraagt.

Op basis van deze resultaten schat men dat in België elk jaar ongeveer 700 gevallen van longkanker te wijten zijn aan blootstelling aan radon in woningen. Dat is ongeveer 10 % van het totale jaarlijkse aantal longkankerslachtoffers in België. De meeste longkankers als gevolg van radon worden waargenomen bij rokers.

 Terug naar boven

5. Radon meten


U kunt steeds nagaan of de radonconcentratie in uw woning hoog is. Wanneer u in een risicozone woont, is de kans daartoe aanzienlijk groter. De enige manier om de radonconcentratie in uw woning te achterhalen, is een meting laten uitvoeren. Er bestaan relatief eenvoudige en goedkope methodes om radon in een gebouw te meten.

Gezien zijn gasvormige toestand schommelt de radonconcentratie in een gebouw zeer sterk in de loop van het jaar en zelfs in de loop van de dag, naargelang de atmosferische schommelingen en de seizoenen (temperatuur, druk, windsnelheid, ...). Om de radonconcentratie in uw huis goed te meten, wordt aanbevolen om ze gedurende verschillende maanden te meten (doorgaans drie), in het koude seizoen (tussen oktober en mei).

Met een langetermijnmeting (drie maanden in het koude seizoen) kan de jaarlijkse gemiddelde concentratie worden berekend. De nationale overheid heeft zich op deze eenheid gebaseerd om, steunend op talrijke internationale studies, richtwaarden vast te leggen. Deze waarden zijn bedoeld om de blootstelling van de bevolking aan radon te beperken door de radonconcentratie in gebouwen terug te dringen. Zodra deze waarden worden overschreden, wordt aangeraden om corrigerende maatregelen te treffen. De waarden die in België worden gehanteerd en die gebaseerd zijn op aanbevelingen van de Europese Unie, zijn 400 Bq/m³ voor bestaande gebouwen (het zogenaamde actieniveau) en 200 Bq/m³ voor nieuwe gebouwen (het zogenaamde conceptieniveau)..

Wie de radonconcentratie in zijn woning te weten wil komen, moet contact opnemen met de gemeente, de SAMI van uw provincie (in Wallonië) of het FANC om een radontest te bestellen. In de gemeenten die in risicozones liggen, organiseren de overheden campagnes waarbij alle inwoners worden geïnformeerd via het gemeenteblad. Als de radonconcentratie meer dan 400 Bq/m³ (200 Bq/m³ voor nieuwe gebouwen) bedraagt, moeten maatregelen worden overwogen om de concentratie te laten zakken tot minder dan 400 Bq/m³ (200 Bq/m³ indien mogelijk of voor nieuwe gebouwen).

 Terug naar boven

6. Radon onder controle houden: eenvoudige maatregelen


Wanneer het resultaat van minstens één langetermijnmeting het actieniveau van 400 Bq/m³ overschrijdt en wanneer geen enkel resultaat hoger ligt dan 1000 Bq/m³, wordt aangeraden om te beginnen met eenvoudige maatregelen voor het gebouw, zodat de radonconcentratie toch onder de 400 Bq/m³ en, indien mogelijk, onder de 200 Bq/m³ duikt.

Deze eenvoudige maatregelen kunnen bestaan uit:

  • Het verbeteren van de ondoordringbaarheid van het gebouw om het binnendringen van radon te beperken (deuren, barsten in de vloer, plaatsen waar leidingen het huis binnenkomen, ...);
  • Het controleren van de ventilatie en het verhelpen van eventuele problemen (luchttoevoer of -afvoer afgesloten, vervuiling, defecte ventilatoren, ...);
  • Het verbeteren of herstellen van de natuurlijke verluchting in de onderbouw (verluchtingskanalen van een kruipruimte of een afgedichte kelder openen);
  • Het regelmatig openzetten van ramen bij gebrek aan een ander verluchtingssysteem. Verluchten via de ramen mag niet worden gezien als een maatregel om de radonconcentratie op termijn te doen dalen, omdat dit afhangt van de gewoontes bij de personen in die gebouwen.

Dergelijke maatregelen of een combinatie van sommige maatregelen kunnen de radonconcentratie afdoende doen dalen, en dit tegen een beperkte kostprijs.

Maatregelen

De keuze voor eenvoudige maatregelen wordt gemaakt op basis van een visuele inspectie van het gebouw, die tot doel heeft meer geschikte maatregelen te bepalen, zoals het afdichten van natuurlijke kanalen waarlangs radon binnendringt (zie afbeelding), het verbeteren van de natuurlijke verluchtingskanalen in de onderbouw, verluchtingstechnieken. Deze eenvoudige maatregelen kunnen volstaan, zeker wanneer de oorspronkelijke radonconcentratie niet hoger is dan 400 tot 600 Bq/m³. Toch bestaat de kans dat zij in sommige gevallen niet altijd even doeltreffend blijven.

Als deze eenvoudige maatregelen niet volstaan om de radonconcentratie te doen dalen, moeten doortastender maatregelen worden genomen.

 Terug naar boven

7. Radon onder controle houden: diagnose


Wanneer een langetermijnmeting resultaten oplevert van meer dan 1000 Bq/m³ of wanneer de radonconcentratie na eenvoudige maatregelen hoger blijft dan 400 Bq/m³, moet een diagnose van het gebouw worden gemaakt en moeten de nodige werken worden uitgevoerd om de radonconcentratie tot een redelijk niveau terug te brengen, bij voorkeur onder 200 Bq/m³ en zeker onder 400 Bq/m³.
De diagnose van het gebouw omvat een systematische inspectie van het gebouw en van de onmiddellijke omgeving, zodat de oorzaken voor de aanwezigheid van radon in het gebouw kunnen worden opgespoord en de nodige aanwijzingen kunnen worden gevonden om oplossingen te bedenken. Bij de keuze voor deze oplossingen moet rekening worden gehouden met de totale impact op het gebouw. Deze diagnose omvat:

  • Algemene informatie over het gebouw en zijn omgeving: bouwjaar, type gebouw en structuur, grondoppervlakte, aantal verdiepingen, eventuele renovaties;
  • Een beschrijving van de onderbouw: type en structuur van de onderbouw, grondoppervlakte en ondoordringbaarheid van elk type onderbouw (vloeren op volle grond, kruipruimte, kelder), bepaling van de mogelijke wegen waarlangs radon binnendringt via de scheidslijn bodem-gebouw (kelderdeur, trappen, leidingen);
  • Een algemene beschrijving van het verluchtingssysteem en een evaluatie van de verluchting van de leefruimtes in het gebouw;
  • Een beschrijving van de installaties in het gebouw (verwarming, warmwaterinstallatie, ...).

Naargelang het type gebouw, en vooral bij gebouwen met een grote vloeroppervlakte en met complexe onderbouw, kan bijkomend onderzoek worden verricht (continue radonmetingen of metingen op gezette tijden, radonuitwaseming van materialen, metingen in het water, ...) om de bronnen (bodem, bouwmaterialen, water, ...) en de wegen waarlangs het radon in het gebouw komt en zich verplaatst beter te kunnen achterhalen, aangezien deze gegevens niet zomaar, zonder meting, kunnen worden verkregen.

Haalbaarheidstests om de onderbouw in onderdruk te brengen, kunnen ook deel uitmaken van de diagnose van het gebouw wanneer deze oplossing geschikt blijkt te zijn.

 Terug naar boven

8. Radon onder controle houden: werken


Op basis van de diagnose van het gebouw en van bijkomende onderzoeken moet worden bepaald welke werken moeten worden uitgevoerd.

Doorgaans berusten de oplossingen op twee principes: de hoeveelheid radon die binnendringt beperken en/of met radon besmette lucht afvoeren.

De oplossingen die in een gebouw worden aangewend, zijn vaak een combinatie van beide principes.

De werken die moeten worden uitgevoerd, kunnen eveneens worden onderverdeeld in drie groepen:

  • Het gebouw ondoordringbaar maken voor binnendringend radon.


  • De ruimte tussen het gebouw en de ondergrond (scheidslijn bodem-gebouw) moet zo ondoordringbaar mogelijk worden gemaakt. Deze technieken omvatten het afdichten van bepaalde punten tussen de onderbouw en de woonruimte (spleten, voegen, leidingen, deuren, trappen), uit oppervlaktebehandelingen (vloeren, ondergrondse muren) en het bedekken van de bodem met een grintlaag en een radonbarrière. Hoewel afdichtingstechnieken niet altijd volstaan om de radonconcentraties in een gebouw op een doeltreffende manier te verlagen (niet alle ingangspunten zijn gelokaliseerd, problemen met de uitvoering, doeltreffendheid na verloop van tijd), vormen ze toch een noodzakelijke voorwaarde voor de doeltreffendheid van andere oplossingen.

  • Betere aanvoer van verse lucht in het gebouw.


    Wanneer uit de diagnose van het gebouw blijkt dat de lokalen onvoldoende geventileerd worden, is het belangrijk om de nodige (mechanische of natuurlijke) middelen aan te wenden voor een goede verluchting van deze lokalen, zonder de bestaande reglementeringen (D50-001-norm) inzake ventilatie te overtreden.
    Deze technieken zijn vaak niet afdoende omdat de aanvoer van verse lucht in een gebouw niet kan worden verhoogd zonder rekening te houden met de vereisten inzake energie en warmtecomfort.

  • Behandeling van de onderbouw zodat er minder radon binnendringt.


    Deze technieken bestaan ofwel uit het natuurlijk of mechanisch ventileren van de onderbouw (kruipruimte, kelder, vloer op volle grond), ofwel uit het in lichte onderdruk plaatsen van de onderbouw (in vergelijking met de woonruimte) door middel van mechanische extractie, indien dat mogelijk is. Deze technieken behoren tot de meest doeltreffende soort.

    Behandeling van de onderbouw

    De meest doeltreffende manier om minder radon in gebouwen te laten binnendringen, is het in onderdruk brengen van de grond onder het gebouw. Deze techniek is bedoeld om in de onderbouw een drukveld te creëren dat lager is dan dat van de vloer van het gebouw en met een zo zwak mogelijk debiet van afgezogen lucht. Daartoe wordt de lucht in de onderbouw mechanisch naar buiten gezogen, waardoor het radon snel verdund wordt. (zie afbeelding)


Meer informatie vindt u in onze brochure “Corrigerende en preventieve maatregelen” (PDF).

 Terug naar boven

9. Radon onder controle houden: preventie


Wie een huis of een gebouw wil optrekken in een gemeente in de risicozones heeft er alle belang bij om preventieve maatregelen te nemen tegen radon. Deze maatregelen zijn veel gemakkelijker toe te passen tijdens het bouwen dan erna.
De preventieprincipes zijn grotendeels dezelfde als die bij de corrigerende maatregelen, maar hier gaat het erom vooral aandacht te besteden aan de beperking van de hoeveelheid radon die het gebouw binnendringt.
Doorgaans berusten de oplossingen die worden aangewend op twee principes: de hoeveelheid radon die binnendringt beperken en/of de met radon besmette lucht afvoeren.

  • In een nieuwe woning moet men ervoor zorgen dat de scheidslijn tussen de bodem en het gebouw ondoorlatend is. Dit kan door het installeren van een “radonscherm”, een ondoordringbare barrière op de scheidslijn tussen bodem en gebouw.
  • Een doordringbare laag (breuksteenstorting of grind) onder de deklaag of een kruipruimte voorzien.
  • Passieve ventilatie van deze doordringbare laag voorzien. Een buis die naar buiten leidt, kan de met radon besmette lucht afzuigen voor die de woning binnendringt.
  • Zorg ervoor dat u in huis over aangepaste ventilatie beschikt, bij voorkeur met warmtewisselaar. Door de lucht voldoende te verversen, daalt de radonconcentratie en door de warmte te hergebruiken, daalt de energiefactuur.

Zorg dat de scheidslijn ondoordringbaar is, vooral ter hoogte van gaten in de muur (voor water, elektriciteit, gas, ...) en metselspecie (voegen tussen de vloer en de muur).

Ook op verticale scheidingswanden moet een ondoordringbaar membraan worden aangebracht.

Meer details over de preventiemaatregelen tegen radon en verdere inlichtingen vindt u in de brochure van het WTCB of door contact op te nemen met de technische dienst van de provincie of het FANC.

 Terug naar boven

 printvriendelijk mail een vriend Home

Copyright 2007 © - Wettelijke vermeldingen