Rondschrijven Vervoer
Rondschrijven aan de aangestelden voor het vervoer
Deze nota omvat een aantal specifieke vereisten van het ADR waarop de aandacht van de vervoerders gevestigd wordt. Enerzijds betreft het punten waarvoor geregeld een gebrekkige uitvoering werd vastgesteld, zoals het vervoerdocument en de schriftelijke richtlijnen. Anderzijds worden een aantal nieuwe vereisten met betrekking tot het (weg-)vervoer van radioactieve stoffen samengebracht. Deze hebben betrekking op de brandblusapparaten, het gebruik van de oranje schilden, de markering van oververpakkingen, de verplichte notificaties bij incidenten en ongevallen en bij niet naleving van sommige vereisten en tot slot de nieuwe beveiligingsvereisten voor radioactieve stoffen tijdens het vervoer.
Verder wordt aandacht besteed aan de nieuwe verbodstekens met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen en meer specifiek hun betekenis ten aanzien van de radioactieve stoffen, gezien de blijvende vragen hierover. Aangezien het FANC nu buiten de diensturen bereikbaar is via een uniek nummer, wordt het verwittigingschema voor de aangestelde van het vervoer vereenvoudigd. Tot slot wordt nog gewezen op de mogelijkheid om maandopgaven elektronisch door te geven.
Profiel Invoer (formulieren, ...)A. ADR - Reglement
- A1 : Het vervoerdocument
Artikel 5.4.1 van het ADR bepaalt de gegevens die in het vervoerdocument moeten worden opgenomen. Artikel 5.4.1.1 omvat de algemene gegevens en artikel 5.4.1.2.5 omvat de bijkomende bepalingen met betrekking tot de klasse 7.
De vermelding « ADR » is niet langer verplicht evenals de conformiteitverklaring met de bepalingen van het ADR.
In bijlage A1 wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de verplichte vermeldingen in het vervoerdocument samen met enkele voorbeelden die aangeven hoe de vereiste technische informatie in enkele lijnen eenduidig kan worden weergegeven.
Opmerking : voor de uitgezonderde colli, zie artikel 2.2.7.9.1.a). Hierin wordt beschreven welke de verplichte vermeldingen zijn op het vervoerdocument voor dit type colli, nl de vermelding van het UN nummer , de namen van de afzender en de bestemmeling.
Opmerking :
Het vervoerdocument maakt deel uit van een reeks documenten welke zich aan boord van het voertuig moeten bevinden tijdens het vervoer van radioactieve stoffen. Hierna een opsomming van deze documenten:
- Een copie van de vervoervergunning
- De schriftelijke richtlijn in geval van ongeval
- Het verwittigingsschema ingeval van incident of ongeval
- Bewijs van verzekering burgelijke aansprakelijkheid voor het vervoer van radioactieve stoffen
- Het ADR opleidingsgetuigschrift (of het attest afgeleverd door de werkgever indien van toepasssing )
- Het ADR-Keuringscertificaat (indien van toepassing )
- Een identificatiebewijs met foto
- A2 : Schriftelijke richtlijnen (Veiligheidsvoorschriften)
De schriftelijke richtlijnen in geval van incident of ongeval werden volledig herzien in het ADR versie 2009.
De chauffeurs moeten steeds in het bezit zijn van de veiligheidsvoorschriften. De vervoerder is verplicht deze voorschriften aan de chauffeurs te geven voor het vertrek. Zij moeten in een taal zijn die verstaanbaar is voor ieder lid van de bemanning. Ze moeten door hen uitvoerbaar zijn, en moeten zich bevinden binnen handbereik in de cabine. De vervoerder is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze voorschriften.
Het model van deze voorschriften ligt vast zowel wat betreft de vorm als de inhoud. In bijlage A2 vindt u het officiële document.
- A3 : Basisuitrusting
De volledige basisuitrusting, met uitzondering van de brandblustoestellen, is opgesomd op de 4° pagina van de schriftelijke richtlijnen in geval van incident of ongeval versie ADR 2009 ( Bijlage A2 ).
Bijlage A3 vat de voorschriften voor brandblustoestellen samen
- A4 : Bemanning
In de ADR wordt een zeer duidelijke definitie gegeven wat er verstaan wordt onder ‘bemanningslid'. Men spreekt over de bestuurder en elk ander persoon die hem begeleid voor veiligheids-, beveiligings-, opleidings- of exploitatieredenen.
- A5 : Oranje schilden
Hoofdstuk 5.3.2 van het ADR beschrijft de specificaties waaraan oranje schilden moeten voldoen. Deze schilden moeten retroflecterend zijn, een basis van 40 cm hebben en een hoogte van 30 cm. Ze moeten voorzien van een zwarte boord van 15 mm. Het gebruikte materiaal moet weerbestendig zijn en een duurzame signalisatie garanderen. Het schild mag niet loskomen van zijn bevestiging wanneer het gedurende 15 minuten omsloten is door een brand. Het moet bevestigd blijven bij om het even welke oriëntatie van het voertuig. Indien de grootte en de constructie van het voertuig zodanig zijn dat het beschikbaar oppervlak niet volstaat om deze oranje borden te bevestigen, mogen hun afmetingen teruggebracht worden tot 30 cm voor de basis, 12 cm voor de hoogte en 10 mm voor de zwarte boord. Wanneer het oranje schild aangebracht is op neerklapbare borden, moeten deze zodanig ontworpen en vastgezet zijn dat ze gedurende het vervoer niet kunnen neerklappen of loskomen van hun houder (in het bijzonder ten gevolge van schokken of niet bedoelde handelingen).
Ter herinnering : onder bepaalde omstandigheden moet het UN identificatienummer van het gevaar en het UN identificatienummer van de vervoerde radioactieve stoffen op de buitenzijde van transporteenheden of containers worden aangebracht, en dit zowel wanneer deze onverpakte vaste radioactieve stoffen als radioactieve stoffen in colli vervoeren. Dit is het geval wanneer het om een transport gaat onder uitsluitend gebruik en alle geladen stoffen of colli onder hetzelfde UN identificatienummer vervoerd worden. Voor transporteenheden heeft men twee mogelijkheden: ofwel worden deze identificatienummers aangebracht op bijkomende oranje schilden op de zijkanten van transporteenheid, ofwel worden de identificatienummers aangebracht op de oranje schilden die reeds aan voor- en achterzijde moeten geplaatst worden. Voor containers worden deze identificatienummers vermeld op bijkomende oranje schilden die op de zijkanten evenwijdig met de vervoersrichting worden aangebracht.
Voor de radioactieve stoffen blijven nu slechts twee identificatienummers voor het gevaar bestaan: 70 en 78.
- 70 voor alle UN identificatienummers die betrekking hebben op radioactieve stoffen met uitzondering van deze voor uitgezonderde colli (UN 2908, 2909, 2910, 2911) waaraan geen identificatienummer voor het gevaar is toegekend
- 78 voorbehouden aan de UN identificatienummers 2977 en 2978 (uraanhexafluoride).
- A6 : Oververpakking
In het hoofdstuk 5.1.2.1 van het ADR wordt beschreven dat elke oververpakking de vermelding “oververpakking“ moet dragen, alsook het UN nummer van elk collo voorafgegaan door de letters “UN”, tenzij de markeringen en de etiketteringen met betrekking tot alle in de oververpakking vervatte colli zichtbaar zijn.
De transportindex voor een oververpakking wordt bepaald hetzij door het samentellen van al de transportindexen van de colli in de oververpakking, hetzij door meting aan de buitenkant van deze oververpakking. Deze directe meting is niet toegestaan voor de niet stijve oververpakkingen (bvb door een folie)
Het woord “OVERVERPAKKING”, dat gemakkelijk zichtbaar en leesbaar dient te zijn, moet in een officiële taal van het land van oorsprong gesteld zijn en daarenboven in het Frans, het Engels of het Duits indien de officiële taal geen van de drie genoemde is; dit tenzij overeenkomsten tussen de bij het vervoer betrokken landen anders bepalen.
Ter herinnering: een oververpakking is per definitie een omhulsel gebruikt door eenzelfde afzender. De oververpakking dient om de goederen vast te zetten, of om op een gemakkelijke manier te behandelen en te vervoeren. Het klaarmaken van de oververpakking hoort tot de verantwoordelijkheid van de afzender.
- A7 : Behandeling en vastzetting
In het ADR wordt er een bijzondere nadruk gelegd op de behandeling en het vastleggen van de lading. Het artikel 7.5.1.2.bepaalt dat er niet mag geladen worden indien :
- uit een controle van de documenten, of
- uit een visueel nazicht van het voertuig, of container(s), en van hun uitrusting die bij het laden en het lossen gebruikt wordt, blijkt dat deze niet voldoen aan de reglementaire bepalingen.
De artikelen 7.5.7.1 tot 7.5.7.3 zijn nog duidelijker. In voorkomend geval moet het voertuig of de container voorzien zijn van geschikte inrichtingen om de stouwing en de manipulatie van de gevaarlijke goederen te vergemakkelijken. De colli die gevaarlijke goederen bevatten en de niet verpakte gevaarlijke voorwerpen moeten vastgezet worden met behulp van middelen (zoals bevestigingsriemen, glijdende dwarsstukken, regelbare klampen) die in staat zijn om de goederen in het voertuig of de container zodanig tegen te houden dat gedurende het vervoer elke verplaatsing verhinderd wordt die de oriëntatie van de colli kan veranderen of ze kan beschadigen. De verplaatsing van colli kan eveneens vermeden worden door de holtes op te vullen met behulp van tussenvoegmiddelen of door blokkeren en vastriemen. Wanneer bevestigingsinrichtingen zoals spanbanden of riemen gebruikt worden, mogen deze niet in die mate aangespannen worden dat ze de colli beschadigen of vervormen.Colli mogen niet gestapeld worden, tenzij ze daartoe werden ontworpen. Wanneer voor het stapelen ontworpen colli van verschillende constructietypes samen geladen worden, dient rekening te worden gehouden met hun compatibiliteit inzake het stapelen. Indien nodig zal gebruik gemaakt worden van lastdragende inrichtingen om te vermijden dat colli die op andere colli gestapeld worden deze laatste beschadigen.
Tijdens het laden en het lossen moeten colli, die gevaarlijke goederen bevatten, beschermd worden tegen beschadiging.
- A8 : Tunnelbeperkingen
Ten laatste in januari 2010 zullen de verbodsvoorschriften in verband met het gebruik van bepaalde tunnels van kracht worden. Deze specifieke voorschriften hebben als doel de verbodsbepalingen voor het doorrijden van tunnels te uniformiseren in al de landen die het ADR verdrag hebben onderschreven.
Aan elke wegtunnel wordt een categorie toegekend. Deze indeling in categorieën moet rekening houden met:
- Karakteristieken van de tunnel;
- De evaluatie van de risico's;
- Beschikbaarheid van alternatieve reiswegen;
- Verkeersmanagement.
Een tunnel kan ingedeeld zijn in verschillende klassen afhankelijk van het tijdstip van de dag of de dag van de week.De indeling is gebaseerd op de hypothese dat er drie hoofdgevaren bestaan die een groot aantal slachtoffers kunnen veroorzaken of ernstige schade aan de tunnelstructuur kunnen veroorzaken.
Deze drie hoofdgevaren zijn:
- ontploffingen;
- vrijkomen van giftige gassen of vluchtige giftige vloeistoffen;
- branden.
Er zijn vijf tunnelcategorieën:- Tunnelcategorie A: geen enkele beperking voor het vervoer van gevaarlijke goederen, dus ook niet voor de klasse 7 goederen.
- Tunnelcategorie B: beperking van het vervoer van de gevaarlijke goederen die een zeer grote ontploffing kunnen veroorzaken. Voornamelijk de springstoffen worden hier geviseerd.
- Tunnelcategorie C: beperking van het vervoer van de gevaarlijke goederen die een zeer grote ontploffing, een grote ontploffing of het vrijkomen van een belangrijke hoeveelheid giftige stoffen kunnen veroorzaken. Voor de klasse 7 vallen hier de UN nummer UN2977 en UN2978 onder, uraanhexafluoride.
- Tunnelcategorie D: beperking van het vervoer van de gevaarlijke goederen die een zeer grote ontploffing, een grote ontploffing, het vrijkomen van een belangrijke hoeveelheid giftige stoffen of een grote brand kunnen veroorzaken. Voor de klasse 7 vallen hier nog steeds de UN nummer UN2977 en UN2978 onder, uraanhexafluoride.
- Tunnelcategorie E: beperking van het vervoer van alle gevaarlijke goederen behalve UN2919, UN3291, UN3331, UN3359, UN3373. Voor de klasse 7 goederen zijn hier UN2919 en UN3331 van toepassing. Dit zijn de UN identificatie nummer voor de transporten van radioactieve stoffen onder speciale overeenkomst niet splijtstoffen of splijtstof uitgezonderd enerzijds en anderzijds de splijtstoffen die onder speciale overeenkomst vervoerd worden.
De signalisatie moet bij voorkeur gebeuren met behulp van het verkeersteken C24 aangevuld met de identificatie van de categorie van de betrokken tunnel. Uiteraard dient deze signalisatie zodanig geplaatst te zijn dat er nog voor een alternatieve reisweg gekozen kan worden.Aan iedere lading van radioactieve stoffen behalve de uitgezonderde colli, wordt er een tunnelbeperkingscode toegekend in het ADR. (zie bijlage A8)
Voertuigen die enkel uitgezonderde colli (UN2908, UN2909, UN2910 en UN2911) aan boord hebben, mogen door alle tunnels rijden.
De andere radioactieve stoffen, behalve UN2977, UN2978, UN2919, UN3331, hebben allen een tunnelbeperkingscode E, ( zie tabel A hoofdstuk 3.2 van het ADR )
Dit wil zeggen dat voertuigen die radioactieve stoffen vervoeren, behalve de hierboven genoemde UN nummers, door alle tunnels behalve deze van categorie E mogen rijden.
UN2977 en UN2978 hebben een tunnelbeperkingscode C, dus mogen de voertuigen die UF6 vervoeren niet doorrijden aan tunnels met classificatie C, D en E.
Voor deze bepalingen is er een overgangsperiode tot 31 december 2009 gedefinieerd. In België is het voorzien deze bepalingen in te voeren in de loop van 2009.
- A9 : Meldingen
1. Incident - Ongeval
Voor wat betreft de melding van incidenten of ongevallen op het Belgisch grondgebied is het niet meer alleen de verantwoordelijkheid van de vervoer om het rapport, volgens het model gedefinieerd in artikel 1.8.5.4. van het ADR en opgenomen in bijlage A9 over te maken aan het FANC, bijkomend aan de voorschriften van het KB van 20 juli 2001. In het artikel 1.8.5.1 van het ADR wordt een opsomming gegeven van de personen die betrokken zijn bij deze actie. Het betreft hier voornamelijk: de belader, de afzender, de vervoerder en de bestemmeling.
2. Niet - Naleving
In het kader van zijn eigen veiligheid, moet de bestuurder altijd de aangestelde voor het vervoer verwittigen bij elk vermoeden van tekortkoming, incident, in het kader van het niet naleven van de veiligheidsregels, zelfs als dit niet valt onder de bevoegdheid van de vervoerder. Het ADR voorziet een reeks van te volgen regels indien er zich een overschrijding zou voordoen van de criteria voor blootstelling bij de beroepshalve blootgestelde personeelsleden, de bevolking of het milieu. Het betreft hier de limieten van blootstelling en besmetting die van toepassing zijn op de colli en de voertuigen. Als deze overschrijdingen worden vastgesteld tijdens het vervoer, bijvoorbeeld door de chauffeur, moet de verantwoordelijke van het de transportonderneming de melding maken. Deze melding moet:
- leiden tot het nemen van maatregelen die de gevolgen van dit incident beperken;
- leiden tot het onderzoek naar de oorzaken, omstandigheden en de gevolgen;
- tot maatregelen leiden om ervoor te zorgen dat dit incident in de toekomst niet meer zou kunnen plaatsvinden;
- overgemaakt worden aan de bevoegde overheid met inbegrip van al de preventieve en correctieve acties.
Deze melding moet zo snel mogelijk gemaakt worden. In geval van verhoogde blootstelling moet ze zelfs onmiddellijk verstuurd worden. - A10 : Vrijstelling van het ADR
De voorschriften van het ADR zijn niet van toepassing op de transporten die uitgevoerd worden door de hulpdiensten, voor zover het een interventie bij noodgeval betreft. Het gaat hier vooral over het wegtakelen van beschadigde of defecte voertuigen die met gevaarlijke stoffen geladen zijn, of om de bij een incident of ongeval betrokken gevaarlijke goederen te omsluiten, te recupereren en ze naar een veilige plaats over te brengen.
- A11 : Beveiligingsmaatregelen
In de ADR (hoofdstuk 1.10) vindt men de beschrijving van de beveiligingseisen die verder gaan dan alleen maar de beveiliging van het transport tegen diefstal of ongeoorloofde ontlading van colli gedurende het transport. Men verstaat onder “beveiliging” de maatregelen of voorzorgen die dienen getroffen te worden om de diefstal of het oneigenlijk gebruik van gevaarlijke goederen, die personen, eigendommen of het milieu in gevaar kunnen brengen, tot een minimum te herleiden.
Belangrijke opmerking
Wanneer de bepalingen van de “Convention on Physical Protection of Nuclear Material” en de daarop betrekking hebbende aanbevelingen van de AIEA (INFCIRC/225/Rev.4) toegepast worden, wordt voor de radioactieve stoffen aangenomen dat aan de bepalingen betreffende beveiliging is voldaan.
De te implementeren voorschriften worden hierna samengevat:
- Algemene voorschriften
- vervoer mag enkel gebeuren door behoorlijk geïdentificeerde vervoerders, wat ook al door de vergunningsplicht op onrechtstreekse wijze door de Belgische reglementering vereist werd;
- zones voor opslag bij tijdelijke onderbrekingen van het vervoer moeten beveiligd en goed verlicht zijn en in de mate van het mogelijke ontoegankelijk zijn voor het publiek;
- alle partijen zijn betrokken (vervoerder, afzender, bestemmeling, ...).
- Opleiding
- De opleiding die vereist is voor alle personeel dat op één of andere wijze betrokken is bij het vervoer van radioactieve stoffen dient tevens sensibiliseringselementen te omvatten met betrekking tot beveiliging zoals:
- aard van de risico's;
- onderkennen van de risico's;
- methodes om het risico te verkleinen;
- maatregelen bij inbreuk op de beveiligingsregels;
- in voorkomend geval sensibiliseren voor de beveiligingsplannen in functie van verantwoordelijkheden en taken bij de toepassing ervan.
- De opleiding die vereist is voor alle personeel dat op één of andere wijze betrokken is bij het vervoer van radioactieve stoffen dient tevens sensibiliseringselementen te omvatten met betrekking tot beveiliging zoals:
- Voor radioactieve stoffen met hoog risico, gedefinieerd als hoeveelheden groter dan 3000 A1 voor radioactieve stoffen onder speciale vorm of 3000 A2 voor radioactieve stoffen niet in speciale vorm, in colli van type B of C, zijn volgende voorschriften van toepassing
- Implementatie van een beveiligingsplan waarvan volgende elementen deel uitmaken:
- toewijzing van verantwoordelijkheden op gebied van beveiliging;
- bijhouden van lijsten van de betrokken radioactieve stoffen;
- evaluatie van de courante operaties en de beveiligingsrisico's rekening houdend met haltes, verblijf colli in de voertuigen bij onderbreking van het vervoer en de tijdelijke opslag bij verandering van vervoermiddel;
- maatregelen betreffende:
- opleiding;
- beveiligingsbeleid, zoals maatregelen bij verhoogde dreiging, of bij toewijzing van bepaalde functies aan personeelsleden of bij aanwerving enz... ;
- exploitatiepraktijken, met betrekking tot reisroutes, tussenopslag bij onderbreking van het vervoer enz... ;
- uitrusting en middelen bestemd om de beveiligingsrisico's te verkleinen.
- procedures om het hoofd te bieden aan dreigingen en beveiligingsincidenten en om deze te melden;
- procedures om de beveiligingsplannen te evalueren, te testen en periodiek te actualiseren;
- maatregelen ter beveiliging van informatie met betrekking tot het vervoer van de geviseerde stoffen en het verzekeren dat de toegang tot deze informatie beperkt blijft tot diegenen die erover dienen te beschikken, zonder afbreuk te doen aan de reglementair voorgeschreven meldingen.
- de voertuigen dienen uitgerust te zijn met efficiënte beveiligingssystemen die zowel de diefstal van het voertuig als van de lading dienen te voorkomen, zonder dat deze evenwel de interventies van hulpdiensten mogen bemoeilijken.
- Implementatie van een beveiligingsplan waarvan volgende elementen deel uitmaken:
- Algemene voorschriften
- A12 : Stralingsbeschermingsprogramma
Hoofdstuk 1.7 van het ADR voorziet dat iedereen die betrokken is bij het vervoer van radioactieve stoffen een stralingsbeschermingsprogramma moet opstellen. De inhoud van dit programma moet verzekeren dat er rekening gehouden wordt met de beschermingsmaatregelen tegen ioniserende straling. De omvang van dit programma moet in verhouding zijn tot de verwachtte dosisbelasting De inhoud van dit programma omvat:
- Het bepalen van de verantwoordelijkheden: duidelijk afbakenen wie voor wat verantwoordelijk is;
- Het bepalen en optimaliseren van de dosissen met inbegrip van de mogelijke besmettingen. Het registreren van de dosis op maandelijkse basis, de besmettingscontrole van de voertuigen, het maken van een evaluatie van de dosisbelasting.
- Afstandsregels en andere veiligheidsmaatregelen;
- Noodplan voorzieningen
- Opleidingen en informatie verspreiding
- Het stralingsbeschermingsprogramma moet onderbouwd zijn door een kwaliteitsbeheersysteem.
Om u een leidraad te geven heeft het IAEA hiervoor een handboek ontwikkeld : “ TS-G-1.3 : radiation protection programmes for the transport of radioactive materials”. U kunt de inhoud van dit document downloaden via: http://www-pub.iaea.org/MTCD/publiations/PDF/pub1269 web.pdf
B. Voorschriften op basis van de nationale regelgeving
- B1 : Uniforme controles
De Europese richtlijn legt uniforme procedures op voor het uitvoeren van controles op het wegvervoer van gevaarlijke goederen. Dit houdt in dat de controles op dezelfde manier zullen gebeuren in al de landen van de lidstaten van de Europese Unie. Deze richtlijn werd geactualiseerd en overgenomen in het koninklijk besluit van 23 maart 2006. Er zijn 3 categorieën van risico's, en elke inbreuk werd ingedeeld in 1 van deze 3 categorieën. ( zie bijlage B1 )
- B2 : Administratieve boetes
Nieuwe bepalingen in de wet van 15 april 1994 werden in werking gesteld. Deze voorzien, naast het bestaande strafrechtelijke sanctiesysteem voor inbreuken op de regelgeving, nu ook in een systeem van administratieve geldboetes. De keuze voor de administratieve of strafrechtelijke procedure wordt overgelaten aan de juridische instanties. Daarnaast wordt ook nog een vereenvoudigde administratieve procedure voorzien.
De vereenvoudigde administratieve procedure is enkel van toepassing bij een aantal goed afgelijnde inbreuken. Deze procedure geldt ondermeer voor de bepalingen die rechtstreeks betrekking hebben op de voorschriften voor het vervoer van radioactieve stoffen en de bijzondere voorwaarden van de vergunningen voor het vervoer.
Deze vereenvoudigde procedure houdt in dat bij de vaststelling van bepaalde overtredingen, de FANC inspecteur de betaling van een geldboete van 125 € tot 500 € naargelang de inbreuk kan voorstellen. Bij meerdere gelijktijdige inbreuken is de boete tot een totaal maximum bedrag van 2500 € beperkt. Deze betaling dient binnen de vijf dagen te gebeuren. Zo niet wordt de normale administratieve procedure opgestart. (met de mogelijkheid, dat er beslist wordt tot vervolging voor de strafrechter en het risico op een hogere boete)
De bijlage B2 geeft een opsomming van de inbreuken met de daaraan verbonden boete voor deze vereenvoudigde procedure.
De vereenvoudigde procedure mag niet worden toegepast in de twee volgende gevallen:
- één van de vastgestelde inbreuken is niet opgenomen in voorgaande tabel
- het totale bedrag is hoger dan 2500 €
De werkgevers zijn burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboetes die worden voorgesteld zowel volgens de vereenvoudigde procedure als volgens de normale administratieve procedure.Bij de normale administratieve procedure wordt de geldboete bepaald door de Directeur-generaal van het FANC voor zover er geen vervolging voor de strafrechter wordt ingesteld. De overtreder of de burgerlijk aansprakelijk persoon heeft bij deze procedure de mogelijkheid om zijn verweermiddelen te laten gelden en o.a. de getroffen beslissing aan te vechten bij de rechtbank.
- B3 : Verwittigingsschema
In bijlage B3 van dit rondschrijven is het aangepaste verwittigingschema voor de aangestelde van het vervoer van de onderneming weergegeven. Dit schema omvat een actualisering van de telefoonnummers van het FANC.
Gelieve na te gaan of het door u gebruikte document overeenkomt met dit schema in bijlage en gelieve indien nodig de vereiste aanpassingen te maken.
- B4 : Vervoervergunning
Aangezien het Benelux akkoord betreffende de wederzijdse erkenning van vervoervergunningen niet meer bestaat, dekken de vervoervergunningen afgeleverd door het FANC uitsluitend het vervoer op het Belgisch grondgebied.
- B5 : Maandelijkse opgave voor het vervoer
Het FANC heeft het mogelijk gemaakt om de maandopgaven voor het vervoer via elektronische weg op te sturen.
De te gebruiken formulieren in excell versie, kunnen opgevraagd worden om ze per mail te zenden aan trimp@fanc.fgov.be
Dit e-mail adres wordt uitsluitend gebruikt om de maandelijkse opgaven te ontvangen.
- B6 : Invoer
De regels betreffende de invoer de doorvoer en de uitvoer van radioactieve stoffen werden beschreven in het nieuwe KB van 24 maart 2009.
Dit KB werd van kracht op 27 april 2009 en is raadpleegbaar op de website van het FANC ( www.fanc.fgov.be (profiel INVOER/algemeen).
- B7 : Verkeersborden
Het verbodsteken C24, dat de doorgang verbood voor voertuigen die bepaalde categorieën van gevaarlijke goederen vervoeren, werd vervangen door 3 nieuwe verkeersborden die elk een doorgangsverbod inhouden voor welomschreven gevaarlijke goederen:
- C24a : algemeen verbod voor alle voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren en voorzien zijn van oranje schilden;
- C24b : verboden voor alle voertuigen voorzien van oranje schilden die ontplofbare stoffen of sommige brandbare stoffen in colli of brandbare stoffen in tanks vervoeren;
- C24c : verboden voor alle voertuigen voorzien van oranje schilden die gevaarlijke vloeistoffen of vaste stoffen vervoeren en die het water kunnen verontreinigen.
In bijlage B7 zijn de voorstellingen van deze nieuwe verkeersborden opgenomen met een gedetailleerde beschrijving en hun specifieke betekenis met betrekking tot de goederen van klasse 7.
Bijlagen (PDF)
- A1a : Vervoerdocument
- A1b : UN nummers en officiële vervoersnaam
- A2 : Schriftelijke richtlijnen
- A3 : Brandblustoestellen
- A8 : Tunnelbeperkingscodes
- A9 : Model van het rapport
- B1 : Risico categorieën
- B2 : Lijst van bepalingen waarop een inbreuk aanleiding kan geven tot de vereenvoudigde procedure
- B3 : Waarschuwingschema voor de aangestelde voor het vervoer
- B7 : Verkeersborden




