Non-Proliferatie en Nucleaire beveiliging
Het FANC is actief in non-proliferatie en nucleaire beveiliging.
De ontwikkeling van het gebruik van het atoom, of dit nu voor de productie van energie is, of binnen het gebied van de gezondheid, de landbouw, de industrie...impliceert de preventie van wat men algemeen het « nucleair risico » noemt.
Dit concept omvat in werkelijkheid drie verschillende risico's :
- Een ongeval of incident - waarbij ioniserende straling kan vrijkomen of personen of het leefmilieu besmet kunnen worden – dat zich voordoet in een kerninstallatie of tijdens het vervoer van radioactieve stoffen. De preventie van een dergelijk risico wordt gegarandeerd door de veiligheidsmaatregelen (safety) zoals vermeld in het koninklijk besluit van 20 juli 2001 (ARBIS) en in de relevante internationale verdragen (Verdrag inzake de nucleaire veiligheid, Het Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval);
- De proliferatie en de dispersie van kernwapens;
- Kwaadwillige handelingen (diefstal, verduistering, sabotage ...) gericht tegen radioactief materiaal of tegen kerninstallaties.
Dit document heeft betrekking op de twee laatstvermelde risico's en op de activiteiten die door het Agentschap terzake gevoerd worden.
De Nucleaire Non-Proliferatie
- Het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, of het Non-Proliferatieverdrag (NPV)
- Het multilateraal stelsel va de nucleaire non-proliferatie
- De veiligheidscontroleovereenkomsten
- Het aanvullend protocol
- De rol van het FANC
1. Het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, of het Non-Proliferatieverdrag (NPV)
Oorsprong
Vanaf het begin van de jaren zestig, midden in de koude oorlog, besloot de internationale gemeenschap, die bezorgd was door de conventionele en nucleaire wapenwedloop van de twee toenmalige supermogendheden (USA en USSR), om zich van de wettelijke middelen te voorzien om een halt toe te roepen aan de proliferatie van kernwapens en om de nucleaire ontwapening aan te moedigen.
Het is aan Ierland dat de verdienste te beurt valt omdat het dit land was dat in 1961 – bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties - een ontwerp van resolutie indiende waardoor aan alle staten gevraagd werd inspanningen te leveren om tot een internationaal akkoord te komen waarbij de kernwapenstaten zich zouden onthouden van het afstaan van de controle en het gebruik ervan en waarbij de staten die geen kernwapens bezaten zich als tegenprestatie engageerden, om er geen te produceren.
In 1964 werd de zaak aan het Comité van de 18 over de ontwapening van Genève (sindsdien de Ontwapeningsconferentie geworden) voorgelegd. De onderhandelingen waren lang en moeilijk en het is slechts op 10 juni 1968 dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de tekst van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) heeft aangenomen. Het NPV trad in werking op 5 maart 1970.
Wat voorziet het NPV?
Om goed de verschillende bepalingen van het Verdrag te kunnen begrijpen, moeten we in de eerste plaats weten dat het NPV twee categorieën van staten erkent: de kernwapenstaten (KWS), dwz de staten die voor 1 januari 1967 een kernbom hadden vervaardigd (Verenigde Staten, USSR, Verenigd Koninkrijk – onderhandelingsstaten van het NPV – China en Frankrijk, die allebei heel later tot het NPV zouden toetreden) en de niet-kernwapenstaten (NKWS).
- De verplichtingen van de lidstaten
- De KWS verbinden zich ertoe: (a) om kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen, of de beschikkingsmacht over zodanige wapens of explosiemiddelen, noch direct, noch indirect over te dragen; (b) om een NKWS niet te helpen, aan te moedigen, of zelf te bewegen kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen te vervaardigen of te verwerven, of de beschikkingsmacht over zodanige wapens of explosiemiddelen te verwerven (artikel I).
- De NKWS verbinden er zich op hun beurt toe: om dergelijke overdrachten of beschikkingsmacht noch direct, noch indirect te aanvaarden, om geen kernwapens te vervaardigen of te verwerven, en evenmin hulp dienaangaande te zoeken of te verkrijgen (artikel II); daarenboven verbinden ze er zich toe om de controle door het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA) van al hun nucleaire installaties te aanvaarden en om te dien einde met het Agentschap een overeenkomst, genaamd de « veiligheidscontroleovereenkomst », af te sluiten (artikel III).
- De compensaties die aan de NKWS worden toegekend in ruil voor het afstaan van hun soevereiniteit
- In artikel IV voorziet het NPV het volgende: (a) niets in het Verdrag mag het onvervreemdbare recht schenden om het onderzoek met betrekking tot de productie en het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden te ontwikkelen; (b) de ontwikkeling van de internationale samenwerking met het oog op het vreedzaam gebruik van kernenergie;
- De voordelen of toepassingen van kernexplosies zijn ter beschikking van iedereen volgens een specifieke te definiëren procedure (artikel V, sindsdien in onbruik geraakt door het Internationaal verdrag over het totale verbod op kernproeven - CTBT).
- De nucleaire ontwapening
De partijen (de onderhandelaars hebben de nucleaire grootmachten niet met de vinger willen wijzen, terwijl het de KWS zijn die in de eerste plaats betrokken zijn) verbinden zich ertoe om te goeder trouw onderhandelingen te voeren voor de beëindiging van de nucleaire bewapeningswedloop (artikel VI).
De duurzaamheid van het Verdrag
Zoals vermeld in artikel X werd het NPV, in 1995, ter gelegenheid van zijn onderzoeksconferentie, onvoorwaardelijk verlengd voor onbepaalde duur.
De universaliteit van het NPV
Op dit ogenblik zijn er slechts drie staten die een belangrijk nucleair vermogen bezitten en geen partij zijn bij het NPV en dat zijn India, Israël en Pakistan.
Terug naar boven 2. Het multilateraal stelsel van de nucleaire non-proliferatie
Het NPV vormt dus de basis van het multilateraal stelsel van de nucleaire non-proliferatie. Mettertijd heeft het zich verrijkt met andere instrumenten die rechtstreeks of onrechtstreeks ontstaan zijn uit het NPV. In dit verband vermelden we:
- de veiligheidscontroleovereenkomsten en hun aanvullend protocol (zie verder)de verdragen die kernwapenvrije zones creëren (o.a. Afrika, Latijns Amerika en de zone van de Stille Oceaan);
- het CTBT;
- de controleregimes voor de nucleaire uitvoer (Comité Zangger en Nuclear Suppliers Group);
- de SALT-akkoorden (akkoorden die in de jaren ‘70 werden afgesloten tussen de VS en de USSR met als doel een gedeeltelijke ontmanteling van de nucleaire arsenalen te bekomen en waarvan de effectieve toepassing slechts plaatsvond na de val van de Berlijnse muur)
- het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (zie verder – De nucleaire beveiliging).
3. De veiligheidscontroleovereenkomsten
Op wereldgebied
Overeenkomstig artikel III van het NPV moeten de NKWS met het IAEA een akkoord afsluiten waardoor laatstgenoemde in alle nucleaire installaties van alle NKWS kan komen verifiëren of de aangegeven basismaterialen en de bijzondere splijtbare materialen in plaats van voor vreedzame doeleinden niet werden aangewend voor de vervaardiging van kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen; deze overeenkomst wordt de “Overeenkomst inzake veralgemeende veiligheidscontroles” genoemd.
Onder politieke druk van hun partners hebben de NKWS aanvaard om bepaalde van hun installaties – die ze zelf gekozen hadden – aan de veiligheidscontroles te onderwerpen; dit zijn de “Voluntary Offer Agreements”.
In de NKWS, die geen partij zijn bij het NPV, blijft het veiligheidscontrolestelsel van het IAEA dat voorafging aan het NPV de boventoon voeren en worden er veiligheidscontroleovereenkomsten m.b.t. een bepaalde kerninstallatie geval per geval met het Agentschap gesloten (bv. daad van politieke “goede wil”, eis van een leverende staat), deze akkoorden worden de « Infcirc 66-akkoorden » genoemd (Infcirc 66 is de informatierondzendbrief van het IAEA waarin de regels vermeld staan die de verificatie- en controleactiviteiten van het IAEA regelden voor de inwerkingtreding van het NPV).
Op het niveau van de Europese Unie
De Staten die de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie gesticht hebben (EGA of Euratom) hadden reeds sinds 1957 begrepen dat de ontwikkeling van de nucleaire industrie onlosmakelijk verbonden was met een strikte controle ervan. Het artikel 2 van het Euratomverdrag voorziet dat de gemeenschap door middel van gepaste controles dient te garanderen dat het kernmateriaal niet gebruikt wordt voor andere doeleinden dan deze waarvoor het bestemd is. Hoofdstuk VII van het Euratomverdrag organiseert de controles die de Commissie in de kerninstallaties van alle lidstaten zal moeten uitvoeren (met inbegrip van de civiele kerninstallaties van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk).
Op 5 april 1973 hebben de zeven NKWS die toen lid waren van de EGA (België, Denemarken, de Federale Republiek Duitsland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland), de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en het IAEA een akkoord ondertekend met het oog op de uitvoering van artikel III van het NPV.
In België zorgt de wet van 20 juli 1978 voor de organisatie van de modaliteiten waardoor de inspecteurs van het IAEA de toelating hebben om de controle- en verificatieactiviteiten die voorzien zijn door de controleovereenkomst van 1973 op ons grondgebied tot een goed einde te brengen.
De NKWS van de Europese Unie en zelf, in mindere mate, haar twee KWS, vertonen op het gebied van de veiligheidscontroles de eigenschap om te worden onderworpen aan de controles van twee internationale inspectoraten :deze van Euratom en deze van het IAEA.
4. Het aanvullend protocol
Ingevolge de eerste Golfoorlog en de ontdekking van een clandestien nucleair militair programma in Irak, ging de internationale gemeenschap er van uit dat de verificatie van het kernmateriaal zoals dat voorzien was door de veiligheidscontroleovereenkomsten geen voldoende garantie meer bood op het gebied van de non-proliferatie. Derhalve bleek dat het dringend noodzakelijk werd om het IAEA te voorzien van de vereiste middelen voor het detecteren van niet-aangegeven kernmateriaal en nucleaire activiteiten. Dit werd opgelost in mei 1997 toen de Raad van Gouverneurs van het IAEA een model van aanvullend protocol bij de veiligheidscontroleovereenkomsten aannam.
Het aanvullend protocol kan een aanvulling vormen bij om het even welk soort van veiligheidscontroleovereenkomst.
De dertien NKWS van de Europese Unie (Duitsland, Oostenrijk, België, Denemarken, Spanje, Finland, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal, Zweden), de EGA en het IAEA hebben op 22 september 1998, een aanvullend protocol bij hun veiligheidscontroleovereenkomst van 1973 ondertekend. Tegelijkertijd hebben Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk elk van hen een aanvullend protocol bij hun veiligheidscontroleovereenkomst ondertekend.
De wet van 1 juni 2005 regelt de uitvoering van het aanvullend protocol op het Belgisch grondgebied.
5. De rol van het FANC
Het FANC werkt mee aan de uitwerking van de verschillende standpunten die door België verdedigd worden op het gebied van de nucleaire non-proliferatie.
Het neemt actief deel aan de discussies m.b.t. de veiligheidscontroles die op het IAEA of binnen de bevoegde fora van de EU doorgaan. Het werkt de voorontwerpen van wet uit die bestemd zijn voor de uitvoering in België van de relevante internationale juridische instrumenten. Het begeleidt de internationale inspectoraten (IAEA en Euratom) bij hun controle- en verificatieopdrachten overeenkomstig de veiligheidscontroleovereenkomst en haar aanvullend protocol. Het zorgt voor de interface met de operatoren en de inspectoraten, evenals met de betrokken entiteiten van de bevoegde internationale organisaties. Het beheert de regelgeving m.b.t. de eventuele geschillen die zich tijdens de inspecties of daarbuiten kunnen voordoen.
Het organiseert seminaries voor de nucleaire sector en, desgevallend, voor de betrokken Belgische entiteiten, over de evolutie van het multilateraal nucleair non-proliferatiestelsel en, meer in het bijzonder, de veiligheidscontrole.
De nucleaire beveiliging
- Algemeen
- De fysieke beveiliging van het kernmateriaal
- De beveiliging van de andere radioactieve stoffen
- De rol van het FANC
1. Algemeen
In het algemeen wordt de nucleaire beveiliging gegarandeerd door de bevordering van een daadwerkelijke veiligheidscultuur in alle betrokken milieus en door de invoering van een geheel aan fysieke beveiligingsmaatregelen die van administratieve, organisatorische en technische aard zijn. Deze maatregelen moeten bijdragen tot het voorkomen van kwaadwillige handelingen die gericht zijn tegen radioactieve stoffen en nucleaire installaties en, in geval dergelijke aanslagen gepleegd worden, tot het zoveel mogelijk vertragen van de agressoren ten einde ervoor te zorgen dat de ordediensten op tijd kunnen aankomen.
De perceptie van de nucleaire beveiliging is de laatste dertig jaar aanzienlijk geëvolueerd.
Gedurende lange tijd heeft de internationale gemeenschap enkel interesse gehad voor de fysieke beveiliging van het kernmateriaal (1).
Inderdaad, tot aan de vooravond van de XXIste eeuw was de hoofdbekommernis de proliferatie van kernwapens. Omdat diefstal of ontvreemding van kernmateriaal bepaalde staten kon helpen om een kernwapen te verwerven, dienden de inspanningen eerst gericht te worden op de beveiliging van dit materiaal.
In de loop van de jaren 90 ontwikkelde zich niettemin het idee dat dit gestolen of ontvreemd materiaal eveneens door een groep individuen voor terroristische doeleinden gebruikt kon worden. Het was eveneens in die periode dat het risico op sabotage van een kerninstallatie daadwerkelijk in overweging begon te worden genomen.
Het concept van het nucleair terrorisme was geboren.
Tenslotte heeft het extreme terrorisme, dat algemeen gesymboliseerd werd door de aanslagen van 11 september, evenals de geruchten m.b.t. het gebruik van “vuile bommen”, meer bepaald in het kader van bepaalde regionale conflicten, geleid tot de conclusie dat alle radioactieve stoffen aantrekkelijk zouden kunnen zijn voor individuen die het vaste voornemen hebben om terreur te zaaien door de bevolking en het leefmilieu bloot te stellen aan stralings- en/of besmettingsrisico's. Het was derhalve aangewezen om alle Staten bewust te maken van het feit dat het radiologisch terrorisme een wel reëel risico vormt en om hen ertoe aan te zetten de vereiste maatregelen te treffen om het radioactief materiaal te beschermen.
De internationale conventie inzake de repressie van daden van nucleair terrorisme (EN versie) werd op 13 april 2005 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. De conventie werd ter ondertekening aan de Staten op 14 september 2005 voorgelegd; de lidstaten van de Europese Unie hebben het dezelfde dag ondertekend.
Het Verdrag heeft het voorwerp gemaakt van een instemmingswet (10/09/2009).
Het algemene doel van de Conventie bestaat in de preventie en de repressie van daden van nucleair en radiologisch terrorisme.
Ze geeft een gedetailleerd overzicht van de inbreuken i.v.m. het onwettig en intentioneel bezit en gebruik van radioactieve stoffen of van een radioactief projectiel evenals i.v.m. het onwettig gebruik of de beschadiging van een kerninstallatie.
De Staten die partij zijn, verbinden er zich toe om deze inbreuken binnen hun intern recht strafbaar te maken en om deze te sanctioneren rekening gehouden met de ernst van de feiten.
De Staten die partij zijn verbinden er zich eveneens toe om gepaste maatregelen te treffen om de beveiliging van de radioactieve stoffen te garanderen, rekening gehouden met de aanbevelingen van het IAEA die terzake van toepassing zijn.
Met het oog op de vooropgestelde doelstellingen is de Conventie m.b.t. het nucleair terrorisme een belangrijke stap op het gebied van de nucleaire beveiliging. Voor de eerste maal is er inderdaad een internationaal juridisch bindend instrument dat handelt over de fysieke beveiliging van alle radioactieve stoffen en over de kwaadwillige handelingen waarvan ze het doel of het voorwerp zouden kunnen zijn.
2. De fysieke beveiliging van het kernmateriaal
2.1. De nationale regelgeving betreffende de fysieke beveiliging van het kernmateriaal, de nucleaire installaties en het vervoer van kernmateriaal
Teneinde een wettelijke basis aan de fysieke beveiliging van het kernmateriaal en de nucleaire installaties te verlenen, werd de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle door de volgende wetten gewijzigd:
- de wet van 2 april 2003 tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie ;
- de wet van 30 maart 2011 tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
De wijzigingen aan de bovenvermelde wet van de 11 december 1998 hebben als voornaamste doel toe te laten dat, in zekere gevallen, mensen die niet of nog niet over een veiligheidsmachtiging beschikken, toegang mogen hebben, vermits compenserende maatregelen (o.a. veiligheidsattest), tot materiaal, zones en documenten die krachtens de voormelde wet van 15 april 1994 gecategoriseerd zijn.
De vier koninklijke besluiten vormen het reglementair kader van de fysieke beveiliging van het kernmateriaal, de nucleaire installaties en het nucleaire vervoer :
- koninklijk besluit van 17 october 2011 betreffende de fysieke beveiliging van het kernmateriaal en de nucleaire installaties (« KB Fysieke beveiliging ») ;
- koninklijk besluit van 17 october 2011 betreffende de categorisering en de definiëring van veiligheidszones in de nucleaire installaties en de nucleaire vervoerbedrijven (« KB Veiligheidszones ») ;
- koninklijk besluit van 17 october 2011 betreffende de veiligheidsattesten voor de nucleaire sector en tot regeling van de toegang tot de veiligheidszones, het kernmateriaal of tot de nucleaire documenten in bepaalde bijzondere omstandigheden (« KB Veiligheidsattesten ») ;
- koninklijk besluit van 17 october 2011 besluit houdende de categorisering en de bescherming van nucleaire documenten (« KB Documenten »).
2.2. De aanbevelingen van het IAEA
De verantwoordelijkheid voor de invoering en het behoud van een nationaal fysiek beveiligingssysteem voor het kernmateriaal en de kerninstallaties (hetzelfde geldt voor de radioactieve stoffen) valt te beurt aan elke staat. Toch is de internationale dimensie op dit gebied, zoals tegenwoordig op vele andere gebieden, overal en altijd aanwezig omdat het beveiligingssysteem dat al dan niet door een staat werd opgericht belangrijke gevolgen kan hebben voor de nucleaire veiligheid van zijn buurlanden.
Het is op basis van deze vaststelling dat het IAEA in 1972 besloten heeft om zijn eerste aanbevelingen voor de fysieke beveiliging van het kernmateriaal (INFCIRC 225) te publiceren om zo de lidstaten te helpen om hun nationaal fysiek beveiligingssysteem te definiëren.
INFCIRC 225 « Recommendations for the Physical Protection of Nuclear Material » werd sindsdien al vijf maal herzien: in 1977, 1989, 1993, 1999 en 2011. De herziening van 1999 is vooral belangrijk omdat hierdoor in de aanbevelingen bepalingen werden ingevoerd m.b.t. de sabotage van kernmateriaal en kerninstallaties; sinds 1999 werden de aanbevelingen van het IAEA herdoopt in : « Recommendations for the Physical Protection of Nuclear Material and Nuclear Facilities ».
2.3. Het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (VFBK).
Op het einde van de jaren 70 was de internationale gemeenschap van oordeel dat er voor de fysieke beveiliging van het kernmateriaal een internationaal juridisch bindend instrument nodig was om onder andere het multilateraal stelsel van de nucleaire non-proliferatie te versterken. (NB: de aanbevelingen zijn bedoeld als inspiratie voor de regelgeving van de staten maar ze zijn op zich niet juridisch bindend).
Het ontwerpverdrag dat aan de onderhandelaars in het laatste semester van 1977 werd voorgelegd, was zeer ambitieus want het wilde de beveiliging van het kernmateriaal regelen en dit zowel op het grondgebied van een deelstaat als tijdens het vervoer naar een andere staat; daarenboven voorzag het internationale controles om zich ervan te verzekeren dat het Verdrag werd nageleefd.
Talrijke onderhandelaars, waaronder België, weigerden van bij de aanvang het controleprincipe en waren van oordeel dat enkel het risico op kwaadwillige handelingen gericht tegen kernmateriaal tijdens het internationaal vervoer een internationaal verdrag rechtvaardigden, vermits de fysieke beveiliging van het kernmateriaal op het grondgebied van een staat exclusief toebehoorde tot de nationale soevereiniteit van die staat.
Geleidelijk aan kwam er een compromis op gang rond een tweehoofdig verdrag waarvan de bepalingen van meer technische aard enkel betrekking zouden hebben en op de beveiliging van het kernmateriaal tijdens het internationaal vervoer, terwijl de strafbepalingen en deze m.b.t. de gerechtelijke samenwerking eveneens van toepassing zouden zijn op het gebruik, de opslag of het vervoer van het kernmateriaal op het nationaal grondgebied.
Het VFBK werd ter ondertekening aan de staten op 3 maart 1980 voorgelegd en is op 8 februari 1987 in werking getreden. België heeft het, samen met zijn Europese partners en met de Commissie van de Europese Gemeenschap op 13 juni ondertekend. Het VFBK is in de lidstaten van de EGA in werking getreden op 6 oktober 1991.
Op 8 juli 2005 hebben de lidstaten van het VFBK een bepaald aantal amendementen m.b.t. het Verdrag aanvaard.
Deze amendementen hebben betrekking op:
- De uitbreiding van het toepassingsgebied van het Verdrag tot het kernmateriaal dat wordt gebruikt, opgeslagen en op het nationaal grondgebied vervoerd;
- De toevoeging van nieuwe inbreuken aan de lijst met de reeds voorziene inbreuken: smokkel van kernmateriaal, sabotage van nucleaire installaties, oprichting van misdadigersbendes ten einde kwaadwillige handelingen te ondernemen gericht tegen kerninstallaties en kernmateriaal;
- De uitbreiding van de samenwerking tussen de staten met het oog op de snelle uitvoering van maatregelen voor de lokalisatie en de recuperatie van gestolen of frauduleus binnen een staat binnengebracht kernmateriaal; voor de verzachting van de radiologische gevolgen van sabotage gericht tegen kerninstallaties en, ten slotte, voor de preventie van sabotage;
- De invoering in het Verdrag van de twaalf grondbeginselen inzake de fysieke beveiliging (verantwoordelijkheid van de staat, opeenvolgende verantwoordelijkheden tijdens het internationaal vervoer, wet- en regelgevend kader, bevoegde autoriteit, verantwoordelijkheid van de vergunninghouders, veiligheidscultuur, dreiging, gradatiesysteem, diepteverdediging, kwaliteitsborging, rampenplannen, vertrouwelijkheid);
- Het actualiseren van de bepalingen van het Verdrag m.b.t. de uitlevering;
- De wijziging van de titel van het Verdrag, dat wordt: “Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal en kerninstallaties”.
Het herziene VFBK is nog niet in werking getreden.
In België is de procedure m.b.t. de goedkeuring van het herziene Verdrag op dit ogenblik aan de gang.
3. De beveiliging van de andere radioactieve stoffen
3.1. Gedragscode m.b.t. de veiligheid en de beveiliging van de radioactieve bronnen en richtsnoeren voor de invoer en uitvoer van radioactieve bronnen.
In 2002 heeft het IAEA de wijziging van zijn gedragscode m.b.t. de veiligheid van de radioactieve bronnen ondernomen ten einde er bepalingen m.b.t. hun beveiliging toe te voegen.
De Top van de G8 van Kananaskis lanceerde het principe van een wereldwijd Partnership om de terroristen, of zij die hen asiel aanbieden, te verhinderen toegang te krijgen tot massavernietigingswapens en –materiaal.
In de context van dit partnership besliste de G8, op de Top van Evian in 2003, om strenge maatregelen aan te nemen om zo te verhinderen dat radioactieve bronnen in handen van terroristen zouden komen met als doel om vuile bommen te vervaardigen. Met dit doel heeft de G8 zich geëngageerd om die elementen van het ontwerp van de door het agentschap herziene gedragscode te steunen die, volgens hem, het meest geschikt waren om het radiologisch terrorisme te voorkomen.
Er werden zeven elementen in aanmerking genomen:
- Nationale registers waardoor deze bronnen gelokaliseerd kunnen worden;
- Programma's voor de recuperatie van weesbronnen;
- Nationale reglementen die de uitvoer van hoge risicobronnen beperken tot staten die over doeltreffende controlesystemen beschikken;
- Vereisten inzake de kennisgeving aan de invoerende Staten;
- Maatregelen die op nationaal niveau getroffen worden om ervoor te zorgen dat diefstal of het niet-conform gebruik van radioactieve bronnen onderhevig zijn aan strafrechtelijke sancties;
- Maatregelen m.b.t. de fysieke beveiliging en de toegangscontrole tot plaatsen waar zich radioactieve bronnen bevinden;
- Wetten die door elk land worden aangenomen ten einde te garanderen dat de gebruikte ingekapselde hoge risicobronnen in optimale veiligheids- en beveiligingsomstandigheden verwijderd worden.
Eind juli 2003 was de tekst van de herziene code klaar en vanaf september werd hij aan de Algemene Conferentie van het IAEA voorgelegd die de tekst goedkeurde. Hoewel ze het niet bindend juridisch karakter van de code erkende, heeft de Conferentie onmiddellijk de Staten ertoe aangezet om aan de Directeur-generaal van het Agentschap een schrijven te richten om hem ervan op de hoogte te brengen dat ze de inspanningen van het Agentschap om de veiligheid en de beveiliging van de radioactieve bronnen te verhogen, ten volle ondersteunden en dat ze ijverden om de vermelde richtsnoeren in de gedragscode toe te passen.
Door zich te richten tot de Directeur-generaal engageerden de Staten zich dus politiek om, dankzij een gepaste wetgeving en regelgeving, de veiligheid en de beveiliging van de bronnen te verhogen door doeltreffende controles in te voeren en door ze tegen diefstal, verlies of elk onwettig gebruik te beschermen.
Een jaar later, in 2004, heeft de Algemene Conferentie een reeks bijkomende richtsnoeren aangenomen die betrekking hadden op de uit- en invoer van radioactieve bronnen; het statuut van deze richtsnoeren is identiek aan deze van de gedragscode.
De basisdocumenten betreffende de beveiliging andere radioactieve stoffen
4. De rol van het FANC
Het FANC stelt de voorontwerpen van wet en kb op die de nucleaire veiligheid in België moeten regelen. In dit kader heeft het bij zijn Voogdijminister, de Minister van Binnenlandse Zaken, meerdere voorontwerpen van wet en kb ingediend die bestemd zijn om ons nationaal fysiek beveiligingssysteem van kernmateriaal en kerninstallaties te actualiseren en te versterken.
Wanneer de regelgeving m.b.t. de fysieke beveiliging van het kernmateriaal en de kerninstallaties in werking zal zijn getreden, zal het FANC de fysieke beveiligingssystemen moeten erkennen die door de exploitanten van de kerninstallaties en door de verantwoordelijken van de vervoermaatschappijen van kernmateriaal werden opgesteld. Het zal eveneens de naleving van voormelde wetgeving binnen de installaties en tijdens het vervoer van het kernmateriaal controleren.
Het FANC levert, op aanvraag van de exploitanten en op basis van een veiligheidsverificatie, de veiligheidsattesten af waardoor personen die niet binnen een bepaalde installatie werkzaam zijn er onder bepaalde voorwaarden toegang kunnen hebben.
Het Agentschap onderhoudt een nauwe dialoog met de exploitanten en de vervoerders ten einde hen te helpen de veiligheid van het kernmateriaal dat ze gebruiken, opslaan of vervoeren, evenals deze van hun installatie te optimaliseren.
M.b.t. de beveiliging van radioactieve ingekapselde bronnen, bestaan er reeds reglementaire bepalingen in het ARBIS (Algemeen Reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen), maar er is een studie aan de gang om te bepalen of de bestaande regelgeving niet moet worden aangevuld opdat ze nog meer op een lijn zou zitten met de vereisten van de gedragscode. Het Agentschap laat de invoer of de uitvoer van radioactieve bronnen toe. Het vormt tevens het Belgisch contactpunt voor de databank van het IAEA m.b.t. de illegale handel in radioactieve stoffen.
Het FANC is lid van de Nationale Veiligheidsautoriteit.
Het FANC neemt actief deel aan de onderhandelingen m.b.t. de relevante internationale instrumenten op het gebied van de nucleaire veiligheid evenals aan de door het IAEA georganiseerde deskundigenvergaderingen.
Tenslotte is het FANC lid van de ENSRA (European Nuclear Security Regulators Association).
Terug naar boven
1. Overeenkomstig Artikel XX van de IAEA-Statuten wordt verstaan onder kernmateriaal:
“Kernmateriaal: de volgende bijzondere splijtbare producten en kerngrondstoffen:
- de bijzondere splijtbare producten zijn plutonium 239, uranium 233, uranium verrijkt in uranium 235 of 233: elk product dat één of meerdere van de hierboven vermelde isotopen bevat.Uranium verrijkt in uranium 235 of 233 is uranium dat hetzij uranium 235 bevat hetzij uranium 233, dan wel deze beide isotopen in een zodanige hoeveelheid dat de verhouding tussen de som van beide isotopen en de isotoop 238 groter is dan de verhouding tussen de isotoop 235 en de isotoop 238 in natuurlijk uranium;
- de kerngrondstoffen zijn het uranium dat een mengeling aan isotopen bevat die in de natuur voorkomen en uranium verarmd in uranium 235; thorium; de voornoemde materialen onder de vorm van metaal, legering, de chemische verbindingen of concentraten”.
| Laatste update |
|---|
| 08/11/2011 - 12:03 |



