Informatie over beroepsmogelijkheden
| Index |
|
|
Elke houder van een vergunning kan soms geconfronteerd worden met ingewikkelde wet- en regelgevingen die regelmatig veranderen. Om u als exploitant te melden wat de veiligheidsautoriteit van u verwacht spant het FANC zich niet alleen in om informatie te geven over geldende regelingen, maar informeert het u ook over de mogelijkheden om beroepsprocedures in te dienen.
De informatie die volgt, kan u, alsook andere personen die hierbij belang hebben, helpen als ondersteuning bij het indienen van bezwaar en beroepschriften.
We behandelen hieronder de beroepsmogelijkheden ten gevolge van een beslissing naar aanleiding van een vergunningsaanvraag met betrekking tot de artikelen 6, 7 en 8 van het Koninklijk Besluit van 20 juli 2001. Dit besluit betreft het algemeen reglement op de bescherming van de bevolking van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende straling, en is ook wel gekend onder de afkorting “ARBIS”.
Terug naar boven
1. Types van beroepsmogelijkheden
We kunnen drie soorten beroepsmogelijkheden onderscheiden:
Er is een algemene beroepsmogelijkheid, die kan worden ingediend tegen iedere beslissing van de administratieve overheden. Te uwer informatie, het FANC is te beschouwen als een administratieve overheid.
Daarnaast bestaat er een specifieke beroepsmogelijkheid die van toepassing is in specifieke regelgeving en wel voor specifieke types van administratieve beslissingen, zoals voorzien in het ARBIS.
Tot slot is er ook het zogenaamd ‘willig beroep'.
We zullen hieronder nader ingaan op de verschillende beroepsmogelijkheden:
Terug naar boven
2. Specifieke beroepsmogelijkheden voorzien in het ARBIS
2.1 Specifieke beroepsmogelijkheden voor een vergunning verleend voor een inrichting van klasse I
Er zijn geen bijzondere beroepsmogelijkheden voorzien binnen het ARBIS voor deze inrichtingen. Wanneer u tegen beslissingen naar aanleiding van een vergunning in dit verband een beroep wilt aantekenen, kan dit enkel door middel van een z.g. willig beroep of een beroep tot schorsing of nietigverklaring bij de Raad van State.
2.2 Specifieke beroepsmogelijkheden voor een vergunning verleend voor een inrichting van klasse II
Artikel 7.7 van het ARBIS voorziet voor vergunningen met betrekking tot inrichtingen van klasse II een specifieke beroepsmogelijkheid. Het beroep met betrekking tot deze klasse moet worden ingediend binnen de dertig dagen nadat de bekendmaking van de beslissing van het FANC op een zichtbare plaats aan de zetel van de exploitant/uitbater is uitgehangen. Het beroep wordt ingediend bij de minister van Binnenlandse Zaken. U dient er wel rekening mee te houden dat enkel de aanplakking van de beslissing aan de exploitatiezetel bepalend is voor de termijn voor het indienen van een beroep; de aanplakking aan het gemeentehuis geldt hiervoor dus niet.
Ook willig beroep en beroep bij de Raad van State zijn hier mogelijk.
Artikel 7.7. Beroep: “Tegen de beslissing van het Agentschap kan bij Ons beroep worden aangetekend binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de dag waarop het bericht aan de exploitatiezetel werd aangeplakt.
Dit beroep wordt overgemaakt aan het Agentschap. Het Agentschap deelt aan de exploitant mee dat er beroep werd aangetekend en dat hij het recht heeft om door de Wetenschappelijke Raad gehoord te worden indien hij daartoe verzoekt binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving. Het Agentschap wint het advies in van de Wetenschappelijke Raad, die een advies moet verstrekken binnen de negentig kalenderdagen vanaf de ontvangst van het dossier, nadat de exploitant op zijn verzoek of op initiatief van de Raad gehoord werd. Indien dit advies gunstig is dan kan het bijzondere voorwaarden omvatten die niet voorzien zijn in dit reglement of in de betwiste beslissing.”
Het beroep bij de Minister kan worden ingediend op volgend adres:
Kabinet van de Minister van Binnenlandse Zaken
Wetstraat 2,
1000 Brussel
2.3 Specifieke beroepsmogelijkheden voor een vergunning verleend voor een inrichting van klasse III
Artikel 8.5 van het ARBIS voorziet een beroepsmogelijkheid voor vergunningen
die worden verleend voor een inrichting van klasse III.
Ook willig beroep en beroep bij de Raad van State zijn hier mogelijk.
Het beroep moet binnen de dertig dagen na de kennisgeving ervan worden ingediend en wel bij de Minister van Binnenlandse Zaken.
Artikel 8.5. Beroep: “Binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving van de beslissing, kan tegen de beslissing van het Agentschap bij de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren beroep worden aangetekend.
Dit beroep wordt overgemaakt aan het Agentschap. Het Agentschap deelt aan de exploitant mee dat er beroep werd aangetekend en dat hij het recht heeft om door de Wetenschappelijke Raad gehoord te worden indien hij daartoe verzoekt binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving. Het Agentschap wint het advies in van de Wetenschappelijke Raad, die een advies moet verstrekken binnen negentig kalenderdagen vanaf ontvangst van het dossier, nadat de exploitant op zijn verzoek of op initiatief van de Raad gehoord werd. Indien dit advies gunstig is, kan het bijzondere voorwaarden omvatten die niet voorzien zijn in dit reglement of in de betwiste beslissing.
De Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren, doet uitspraak
over het beroep.”
Het beroep bij de Minister kan worden ingediend op volgend adres:
Kabinet van de Minister van Binnenlandse Zaken
Wetstraat 2
1000 Brussel
3. Algemene beroepsmogelijkheden
Overeenkomstig artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bestaat de mogelijkheid om een beroep tot schorsing en/ of nietigverklaring van de vergunning in te stellen bij de Raad van State en dit ongeacht de aard van de verleende vergunning.
Artikel 19: “De aanvragen, moeilijkheden en beroepen tot nietigverklaring en cassatieberoepen bedoeld bij de artikelen 11, 12, 13, 14 en 16 (, 1° tot 6°,) kunnen voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang en worden schriftelijk ingediend bij de afdeling in de vormen en binnen de termijn door de Koning bepaald.”
Artikel 14: “§ 1. De afdeling doet uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen:
- van de onderscheiden administratieve overheden;
- van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel.
Artikel 159 van de Grondwet is eveneens van toepassing op de in 2° bedoelde akten en reglementen. ...
§ 3. Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn vaststellen of aan het stilzwijgen van de administratieve overheid andere gevolgen verbinden.”
Een beroep bij de Raad van State is echter pas ontvankelijk wanneer de verzoeker vooraf alle mogelijke specifieke beroepsmogelijkheden heeft doorlopen die door de specifieke regelgeving zijn voorzien. Het instellen van de specifieke beroepen zoals hierboven omschreven onder punt 2 is bijgevolg noodzakelijk voordat een beroep tot schorsing of nietigverklaring kan worden ingediend bij de Raad van State.
De termijnen (zie punt 3.1.) en vormvoorschriften (zie punt 3.2.) die moeten nageleefd worden bij het indienen van een beroep tot nietigverklaring zijn opgenomen in het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.1 Termijnen
Een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State moet worden ingediend binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de datum van bekendmaking (bijvoorbeeld door aanplakking) of betekening (dit is de officiële bestelling van de beslissing doordat de deurwaarder een afschrift van het exploot bij de geadresseerde achterlaat).
De termijn is vastgesteld in artikel 4, 3e & 4e lid van het besluit van de Regent:
Artikel 4, 3e & 4e lid: “ De beroepen bedoeld in artikel 14, §§ 1 en 3, van de gecoördineerde wetten verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. De overige aanvragen en beroepen moeten, op straffe van onontvankelijkheid, ingediend worden binnen de termijnen door de desbetreffende wettelijke en reglementaire bepalingen vastgesteld.”
3.2 Vormvoorschriften
De belangrijkste zaken waarmee u dient rekening te houden zijn de volgende:
- het verzoekschrift moet gehandtekend en gedagtekend zijn;
- het verzoekschrift moet volgende gegevens bevatten: uw namen, hoedanigheid en woonplaats, het voorwerp van het beroep met een uiteenzetting van de feiten en de middelen, de namen en woonplaats of zetel van de tegenpartij;
- bij het verzoekschrift moet een kopie worden gevoegd van hetzij de beslissing waarbij de overheid de aanvraag heeft verworpen, hetzij een afschrift van de bestreden akten, (reglementaire bepalingen) of beslissingen;
- Op het moment dat u het verzoekschrift indient moet er ter informatie een kopie worden gestuurd aan de tegenpartij. Dit kan het FANC zijn of de bevoegde Minister, al naar gelang de situatie.
De geldende bepalingen inzake de vormvoorschriften, vastgesteld in de artikelen 2 t.e.m. 3ter van het besluit van de Regent, worden hieronder in hun volledigheid opgenomen.
Artikel 1. “De zaak wordt bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift ondertekend door de partij of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, hierna " gecoördineerde wetten " genoemd.”
Artikel 2 “§ 1. Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat:
- het opschrift " verzoekschrift tot nietigverklaring " in de gevallen bedoeld in artikel 14, §§ 1 en 3, van de gecoördineerde wetten, als het niet eveneens een vordering tot schorsing bevat;
- de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de verzoekende partij en overeenkomstig artikel 84, § 2, eerste lid, de gekozen woonplaats;
- het voorwerp van de eis, aanvraag of beroep en een uiteenzetting van de feiten en de middelen;
- de naam en het adres van de verwerende partij.
§ 2. Het verzoekschrift bevat bovendien:
- In het geval bedoeld in artikel 54 van de gecoördineerde wetten, één van de volgende vermeldingen, in de opgegeven volgorde:
- het eentalig gebied waarin de ambtenaar zijn ambt uitoefent;
- de taalrol waartoe hij behoort;
- de taal waarin hij zijn toelatingsexamen heeft afgelegd;
- de taal van het diploma of getuigschrift dat hij voor zijn benoeming heeft moeten overleggen;
- In het geval bedoeld in artikel 55 van de gecoördineerde wetten, de vermelding van het taalstatuut van de verzoekende magistraat;
- In het geval bedoeld in artikel 56 van de gecoördineerde wetten, de vermelding van de taal waarvan de verzoekende officier een grondige kennis bezit;
- In het geval bedoeld in artikel 57 van de gecoördineerde wetten, de taal van het diploma of getuigschrift dat de verzoeker heeft overgelegd met het oog op zijn aanvaarding als aspirant-hulpofficier of aspirant-hulponderofficier van de luchtmacht;
- In het geval bedoeld in artikel 58 van de gecoördineerde wetten, de taal waarin de verzoeker de opleidingscyclus heeft gevolgd die voorafging aan zijn benoeming tot de graad van reserve-onderluitenant bij de strijdkrachten;
- In het geval bedoeld in artikel 59 van de gecoördineerde wetten, de taal waarvan de verzoekende onderofficier de werkelijke kennis bezit.”
Artikel 3. “De verzoekende partij voegt bij het verzoekschrift:
- in het geval bedoeld in artikel 11 van de gecoördineerde wetten, de beslissing waarbij de bevoegde overheid eventueel de eis heeft verworpen;
- in het geval bedoeld in artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten, een afschrift van de aanmaning;
- in de overige gevallen, een afschrift van de bestreden akten, reglementaire bepalingen of beslissingen;
- indien zij een rechtspersoon is, een afschrift van haar geldende statuten en van de akte van aanstelling van haar organen, alsmede het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden.”
Artikel 3bis. “Het verzoekschrift wordt niet op de rol ingeschreven indien:
- uitgaande van een rechtspersoon, het niet vergezeld gaat van de stukken opgesomd in artikel 3, 4°;
- het niet is ondertekend of niet vergezeld gaat van het vereiste aantal eensluidend verklaarde afschriften;
- het geen woonplaatskeuze bevat, wanneer deze vereist is;
- (...)
- het niet vergezeld gaat van een afschrift van de bestreden akten, reglementaire bepalingen of beslissingen, tenzij de verzoekende partij verklaart dat ze niet in het bezit is van een zodanig afschrift;
- er geen inventaris is bijgevoegd van de stukken, die alle overeenkomstig die inventaris genummerd moeten zijn. In geval van toepassing van het eerste lid, richt de hoofdgriffier aan de verzoekende partij een brief waarin meegedeeld wordt waarom het verzoekschrift niet is ingeschreven op de rol en waarbij die partij verzocht wordt binnen vijftien dagen haar verzoekschrift te regulariseren. De verzoekende partij die haar verzoekschrift regulariseert binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek bedoeld in het tweede lid, wordt geacht het te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending ervan. Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht niet te zijn ingediend.”
- In het geval bedoeld in artikel 54 van de gecoördineerde wetten, één van de volgende vermeldingen, in de opgegeven volgorde:
Artikel 3ter. “Op hetzelfde ogenblik als zij haar verzoekschrift indient, stuurt de verzoekende partij een kopie daarvan ter informatie aan de (verwerende partij). De overheid die deze kopie ontvangt, bezorgt ze desgevallend aan de bevoegde overheid. Het toesturen van een kopie van het verzoekschrift als bedoeld in het eerste lid, houdt geen definitieve aanwijzing van de (verwerende partij) in. Het stelt niet de termijnen in werking die de tegenpartij moet in acht nemen.
Artikel 3quater. Wanneer bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring van een reglementaire akte aanhangig wordt gemaakt, laat de hoofdgriffier in het Belgisch Staatsblad in het Nederlands, het Frans en het Duits een bericht bekendmaken dat de identiteit van de verzoekende partij aangeeft, alsmede de akte waarvan de nietigverklaring gevorderd wordt.”
4. Willig administratief beroep
4.1 Willig beroep bij de instantie die de beslissing heeft genomen
Het staat u steeds vrij om u te richten tot de instantie die de initiële beslissing heeft genomen met het verzoek die beslissing te wijzigen of ongedaan te maken. De betrokken overheid is echter niet verplicht om een uitspraak te doen over deze vorm van willig beroep.
4.2 Willig beroep bij de toezichthoudende overheid
U kunt ook een willig beroep instellen bij de toezichthoudende overheid van de instantie die de initiële beslissing heeft genomen. Voor beslissingen genomen door het FANC, moet dit beroep worden ingediend bij de voogdijminister, zijnde de minister van binnenlandse zaken. De toezichthoudende overheid kan de initiële beslissing in dat geval schorsen of vernietigen in geval van een schending van de wet of indien zij strijdig zou zijn met het algemeen belang.
Alle procedures van de beroepsvormen vermeldt onder 4.1 en 4.2 dienen echter niet verplicht te worden doorlopen opdat een verzoek tot nietigverklaring,dat wordt ingediend bij de Raad van State, ontvankelijk zou zijn (in tegenstelling tot de specifieke beroepsmogelijkheden voorzien in punt 2).
5. Invloed van een ingesteld beroep op de termijn waarbinnen een beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld bij de Raad van State
De willige beroepen ingesteld bij de instantie die de initiële beslissing heeft genomen (punt 4.1) leiden niet tot een stuiting of schorsing van de termijn waarbinnen het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State moet worden ingediend.
De willige beroepen ingesteld bij de toezichthoudende overheid van de instantie die de initiële beslissing heeft genomen, leiden in regel niet tot een stuiting of schorsing van de termijn waarbinnen het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State moet worden ingediend.
De termijn zal echter worden gestuit als tegelijkertijd is voldaan aan de drie volgende voorwaarden:
- het beroep is ingediend binnen de termijn voor het indienen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State en binnen de termijn waarin de overheid haar beslissing kan schorsen of vernietigen;
- er zijn nieuwe gegevens aangebracht;
- de overheid moet schriftelijk blijk hebben gegeven van haar voornemen om de zaak opnieuw te onderzoeken.
De termijn zal opnieuw beginnen lopen vanaf het moment dat aan de indiener van het beroep wordt meegedeeld dat er gevolg aan zijn beroep wordt gegeven.
De specifieke beroepen die zijn voorzien in de regelgeving, stuiten des te meer de termijn voor het indienen van het eigenlijke beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State.
Dit wil zeggen dat van zodra een specifiek beroep wordt ingesteld, de verjaringstermijn stopt te lopen. Er begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen vanaf de datum van betekening van de uitspraak in het kader van het voorziene specifieke beroep.




