Hoofdstuk II : Politie van de ingedeelde inrichtingen
- Afdeling I. - Indeling van de inrichtingen waar handelingen uitgevoerd worden en van de beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen worden aangewend
- Afdeling II. - Vergunningsstelsel
- Art. 5. - Algemeen vergunningsstelsel
- Art. 6. - Vergunningsstelsel van de inrichtingen van klasse I
- Art 7. - Vergunningsstelsel van de inrichtingen van klasse II
- Art. 8. - Vergunningsstelsel van de inrichtingen van klasse III
- Art. 9. - Stelsel van toepassing op de beroepsactiviteiten waar natuurlijke stralingsbronnen aangewend worden
- Art. 10. [voorbehouden]
- Art. 11. - Gemengde inrichtingen
- Art. 12. - Uitbreiding en wijziging van de inrichting
- Art. 13. - Aanvullende voorwaarden en wijziging van de vergunningsvoorwaarden
- Art. 14. - [voorbehouden]
- Art. 15. - Oplevering van de installaties en bevestiging van de vergunning van de inrichtingen van klasse II en III
- Art. 16. - Schorsing en intrekking van de vergunningen
- Art. 17. - Stopzetting van activiteit en ontmanteling
- Art. 18. - Vergunningen voor verwijdering, recyclage of hergebruik van vaste radioactieve afvalstoffen
- Art. 19. - Schadevergoedingen
Afdeling I. - Indeling van de inrichtingen waar handelingen uitgevoerd worden en van de beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen worden aangewend
Art. 3. - Indeling van de inrichtingen waar handelingen uitgevoerd worden
3.1. De inrichtingen waar handelingen bedoeld in het eerste lid van artikel 1 worden uitgevoerd, worden in één van de volgende klassen ingedeeld:
- klasse I:
- de kernreactoren;
- de inrichtingen waar hoeveelheden splijtstoffen (natuurlijk en verarmd uraan en natuurlijk thorium uitgezonderd) worden aangewend of in bezit gehouden groter dan de helft van de minimale kritieke massa;
- de inrichtingen voor opwerking van al dan niet verrijkte bestraalde kernbrandstoffen;
- de inrichtingen waar radioactieve afvalstoffen worden verzameld, verwerkt, geconditioneerd, opgeslagen, of in het algemeen de inrichtingen waar radioactieve afvalstoffen worden behandeld, op voorwaarde dat deze inrichtingen de belangrijkste activiteit van de onderneming uitmaken;
- de bergingsplaatsen van radioactieve afvalstoffen;
- klasse II:voor zover zij niet tot klasse I behoren:
- de inrichtingen waar radioactieve stoffen worden gewonnen uit bestraalde splijtstoffen en waar deze worden geconditioneerd voor de verkoop;
- deeltjesversnellers (behalve de elektronenmicroscopen);
- de inrichtingen waar één of meerdere van de volgende installaties ondergebracht zijn:
- de installaties waar willekeurige hoeveelheden splijtstoffen die niet werden opgenomen in klasse I worden gebruikt of in bezit gehouden (natuurlijk en verarmd uraan en natuurlijk thorium uitgezonderd);
- de installaties waar gebruik wordt gemaakt van de intentionele toediening of de inbrenging in het lichaam of in een van de lichaamsholten, van radioactieve stoffen, al dan niet onder ingekapselde vorm, bij mensen of bij dieren, bestemd voor de diagnose, de behandeling of een medisch of diergeneeskundig onderzoek;
- de installaties waar gebruik wordt gemaakt van toestellen die röntgenstralen voortbrengen, en waarvan de nominale piekspanning 200 kV overschrijdt, evenals de installaties waar toestellen die röntgenstralen voortbrengen, worden gebruikt voor de geneeskundige behandeling van personen, en de niet-vrijgestelde inrichtingen die radioactieve bronnen in hun bezit houden of gebruiken voor industriële radiografie of voor de behandeling van producten of voor de geneeskundige behandeling van personen;
- onverminderd de bepalingen van artikel 64, de installaties waar bij de productie en de vervaardiging van consumptieproducten of geneesmiddelen, gebruik wordt gemaakt van de intentionele toevoeging van radioactieve stoffen;
- de installaties, voor zover hierboven niet vermeld, waar radioactieve stoffen onder niet ingekapselde vorm gebruikt of in hun bezit gehouden worden, met inbegrip van de radioactieve afvalstoffen, waarvan de totale activiteit de vrijstellingsniveaus, vastgelegd in bijlage IA, met een factor 500 overschrijdt, rekening houdend met de toepassingscriteria die in diezelfde bijlage worden beschreven, onder meer in het geval van een mengsel van radionucliden; voor de isotopen C-14, S-35, Ca-45, Er-169, Ce-141, Pm-147, Hg-197 en de joodisotopen I-123, I-125, I-126 en I-131 bedraagt deze factor 50;
- de installaties, voor zover hierboven niet vermeld, waar de totale activiteit van het aangewende of in het bezit gehouden H-3, onder de vorm van afvalstoffen inbegrepen, de waarde van 5 GBq overschrijdt;
- de installaties, voor zover hierboven niet vermeld, waar ingekapselde bronnen worden gebruikt of in bezit gehouden, onder de vorm van afvalstoffen inbegrepen, waarin zich bepaalde hoeveelheden radionucliden bevinden waarvan de totale activiteit de vrijstellingsniveaus, vastgelegd in bijlage IA, met een factor 50.000 overschrijdt, rekening houdend met de toepassingscriteria die in diezelfde bijlage worden beschreven, ondermeer in het geval van een mengsel van radionucliden; voor Sr-90, Cs-137 en Kr-85 bedraagt deze factor 500.000;
- de in de punten e) en g) hierboven vermelde installaties waar radioactieve stoffen, al dan niet onder ingekapselde vorm, worden gebruikt of in bezit gehouden, onder de vorm van afvalstoffen inbegrepen, waarvan de totale activiteit de vrijstellingsniveaus in bijlage IA met een factor die kleiner is dan deze vermeld in de punten e) en g) overschrijdt, rekening houdend met de toepassingscriteria die in diezelfde bijlage worden beschreven, onder meer in het geval van een mengsel van radionucliden, maar waarvoor het Agentschap van mening is dat de bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse II van toepassing dienen te zijn of te blijven; het Agentschap kan deze gemotiveerde maatregel treffen voor een specifieke installatie of kan, via bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, bepaalde categorieën van installaties definiëren die vallen onder de toepassing van dit punt h);
- klasse III: voor zover zij niet tot klasse I of II behoren, de inrichtingen waar één of meerdere van de volgende installaties zijn ondergebracht:
- de installaties waar radioactieve stoffen worden gebruikt of in het bezit gehouden, onder de vorm van afvalstoffen inbegrepen, en dit in omstandigheden die geen aanleiding geven tot een vrijstelling, met toepassing van artikel 3.1.d);
- de installaties waar toestellen gebruikt worden die röntgenstralen voortbrengen en die niet vermeld worden in artikel 3.1.b);
- klasse IV, of de klasse die is vrijgesteld van aangifte en van vergunning:
- de inrichtingen waar één of meerdere van de volgende installaties zijn ondergebracht: de installaties, met uitzondering van deze beschreven in de punten 3.b) en d) van artikel 3.1.b), waar radioactieve stoffen gebruikt worden of in het bezit worden gehouden, maar waarvan de hoeveelheden in hun totaliteit of waarvan de activiteit per eenheid van massa de vrijstellingsniveaus vastgelegd in bijlage IA, niet overschrijden, rekening houdend met de toepassingscriteria die in diezelfde bijlage worden beschreven, ondermeer in het geval van een mengsel van radionucliden;
- (de installaties waar toestellen worden aangewend of in het bezit worden gehouden, die radioactieve stoffen bevatten waarvan de hoeveelheden of de concentraties groter zijn dan deze vermeld in bovenvermeld punt 1, in zoverre dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan :
- het toestel is van een type dat werd goedgekeurd door het Agentschap;
- de structuur van het toestel verhindert dat er, bij normaal gebruik, enige verspreiding van radioactieve stoffen in de omgeving kan zijn en het toestel bevat geen hoogactieve ingekapselde bron;
- het toestel veroorzaakt bij normale werking op geen enkel punt gesitueerd op 0,1 m afstand van zijn bereikbare buitenzijde een dosistempo dat hoger is dan 1 microsievert per uur.)
Het Agentschap kan meer gedetailleerde regels opleggen inzake de goedkeuringscriteria en de procedures die door de aanvragers, door het Agentschap zelf en door de houders van een erkenning dienen te worden nageleefd. Het specifieert eveneens de voorwaarden voor de verwijdering van de toestellen. Deze criteria, procedures en specificaties worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
Indien het Agentschap van oordeel is dat de gevraagde goedkeuring niet kan worden toegekend, dan wordt dit vooraf aan de aanvrager meegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving te worden gehoord;
- de installaties waar kathodestraalbuizen worden gebruikt, bestemd voor de visuele beeldweergave of waar gebruik gemaakt wordt van om het even welk ander elektrisch toestel dat werkt met een potentiaalverschil dat kleiner is of gelijk is aan 30 kV, op voorwaarde dat deze, bij normale werking, op geen enkel punt op 0,1 m van hun bereikbare buitenzijde een dosistempo veroorzaken dat groter is dan 1 microsievert per uur;
- de installaties waar andere toestellen worden gebruikt dan deze vermeld in punt 3 van deze klasse en die ioniserende stralingen voortbrengen, maar die geen radioactieve stoffen bevatten, voor zover aan elke van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- het toestel is van een type dat door het Agentschap werd goedgekeurd;
- het toestel veroorzaakt op geen enkel punt op 0,1 m van de bereikbare buitenzijde en bij normale werking, een dosistempo dat groter is dan 1 microsievert per uur.
Het Agentschap kan meer gedetailleerde regels opleggen inzake de goedkeuringscriteria en de procedures die door de aanvragers, door het Agentschap zelf en door de houders van een erkenning dienen te worden nageleefd. Deze worden in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
Indien het Agentschap van mening is dat de gevraagde goedkeuring niet kan worden toegekend, dan wordt dit vooraf aan de aanvrager meegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat deze laatste het recht heeft om te worden gehoord binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving.
3.2. Bijkomende bepalingen
Inrichtingen waar de radioactieve nucliden Nd-144, Sm-147, Rb-87, In-115 en Re-187 worden aangewend of in bezit gehouden worden in de klasse IV gerangschikt, welke ook de beschouwde hoeveelheden zijn.
De inrichtingen waar natuurlijk en verarmd uraan en natuurlijk thorium worden aangewend of in bezit gehouden worden gerangschikt in klasse IV voor zover deze stoffen voorkomen in hoeveelheden van minder dan of gelijk aan respectievelijk 5 MBq en 50 kBq. In grotere hoeveelheden dan deze grenzen, worden deze inrichtingen in klasse III gerangschikt.
Art. 4. - Beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen aangewend worden
De beroepsactiviteiten bedoeld in het tweede lid van artikel 1 zijn de volgende:
- wat betreft de beroepsactiviteiten die een risico inhouden op een blootstelling aan radon en zijn vervalproducten (in bestaande of nog op te richten gebouwen, bij normale arbeidsomstandigheden of normale bezettingsgraad of gedurende het onderhoud):
- ondergrondse arbeidsplaatsen, hierin inbegrepen paddestoelkwekerijen en grotten opengesteld voor bezoekers;
- waterbehandelingsinstallaties;
- onderwijsinstellingen, kinderdagverblijven, verzorgingsinstellingen, openbare gebouwen en, meer in het algemeen, elk arbeidslokaal, wanneer die zich bevinden in een door het Agentschap gedefinieerde risicozone;
- wat betreft de beroepsactiviteiten die een risico inhouden op externe blootstelling, opname door ingestie of inademing van natuurlijke radioactieve stoffen (in bestaande of nog op te richten lokalen, bij normale arbeidsomstandigheden of normale bezettingsgraad, of bij het onderhoud, met inbegrip van de beroepsactiviteiten met betrekking tot de bijhorende residu- of afvalstromen):
- productie van fosfaten;
- aanwending van zirkoniumzand;
- tingieterij;
- extractie van zeldzame aarden;
- vervaardiging van elektroden voor las- en soldeerwerken die thorium bevatten;
- elke andere beroepsactiviteit, gedefinieerd door het Agentschap en opgenomen in een lijst, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad;
- de exploitatie van vliegtuigen.
Afdeling II. - Vergunningsstelsel
Art. 5. - Algemeen vergunningsstelsel
5.1. Oprichtings- en exploitatievergunning
De inrichtingen van klasse I, II en III moeten een oprichtings- en exploitatievergunning hebben die is afgeleverd door de hierna bepaalde overheid. Vooraleer de aanvraag tot vergunning wordt ingediend, kan het Agentschap, op verzoek van de aanvrager, de erkende instelling aanwijzen die met de fysische controle wordt belast.
( De vergunning kan voorwaarden bevatten die onder meer betrekking kunnen hebben op :
- de verantwoordelijkheden;
- de minimale kwalificaties van het personeel;
- de minimale prestatiecriteria voor de bronnen de broncontainers en de aanvullende uitrustingen;
- de procedures en communicatiekanalen bij noodgevallen;
- te volgen werkprocedures;
- onderhoud van de uitrusting, de bronnen en de containers,
- de te nemen maatregelen inzake beheer van afgedankte hoogactieve ingekapselde bronnen. )
5.2. Verplichtingen van de exploitanten
De exploitanten van de inrichtingen moeten de voorwaarden van de vergunningen nakomen.
5.3. Vergunningsduur
De vergunningen kunnen worden verleend zonder tijdsbeperking of voor een bepaalde termijn. Ze mogen niet voor een proefperiode worden toegekend.
5.4. Overdracht van de oprichtings- en exploitatievergunningen
De oprichtings- en exploitatievergunningen kunnen, geheel of gedeeltelijk, van de ene exploitant naar de andere worden overgedragen, op voorwaarde dat de overdracht onverwijld aan het Agentschap wordt bekendgemaakt. In die bekendmaking moeten de wijzigingen aan de inlichtingen en bescheiden opgesomd in de artikelen 6, 7, 8 en 9, gebeurd sinds de vergunningsdatum, worden vermeld. Evenwel is voor de inrichtingen van klasse I het voorafgaandelijk akkoord van het Agentschap vereist.
Elke betrokken exploitant stuurt het Agentschap een bekendmaking bij een ter post aangetekende brief; het Agentschap meldt de ontvangst ervan.
Gaat het om een gedeeltelijke overdracht, die geen wijziging meebrengt van de inrichting of de inrichtingen waarvan de oprichtings- en exploitatievergunningen gedeeltelijk worden overgedragen, dan zal het bericht van ontvangst de opsplitsing van de vergunningsvoorwaarden, met inbegrip van de lozingslimieten, vaststellen. In dit geval zijn de procedures bepaald in artikel 13 niet van toepassing.
5.5. Verandering van hoofd van de inrichting
Iedere wijziging die wordt aangebracht in de aanstelling van het hoofd van de inrichting moet onverwijld bij een ter post aangetekende brief aan het Agentschap worden medegedeeld.
5.6. Vrijstelling om zekere inlichtingen of bescheiden te verstrekken
De overheid bevoegd voor het verlenen van de vergunning kan de vergunningsaanvrager ervan vrijstellen bepaalde van de in artikelen 6.2, 7.2 en 8.2 vermelde inlichtingen of bescheiden te verstrekken; in dat geval vermeldt de oprichtings- en exploitatievergunning expliciet de verleende afwijkingen.
5.7. Speciaal vergunningsstelsel
5.7.1. Mobiele installaties
De mobiele installaties waarin proeven of materiaaltesten worden verricht of werkwijzen worden aangewend, waarbij ioniserende stralingen worden gebruikt, worden overeenkomstig dit reglement eveneens als ingedeelde inrichtingen beschouwd en zijn dus onderworpen aan de oprichtings- en exploitatievergunning overeenkomstig de hierna volgende artikelen 6 tot 9. Zij zijn evenwel vrijgesteld van de formaliteiten die verband houden met de lokalisatie van de inrichting: kadastrale plannen, topografische opname, alle geografische, demografische, hydrologische, geologische, seismografische en stedenbouwkundige gegevens alsook van de verplichtingen om een openbaar onderzoek te verrichten en het advies van de schepencolleges en van de bestendige deputatie in te winnen.
Deze verrichtingen worden uitsluitend uitgevoerd door het personeel van de onderneming die daartoe vergund is, onder de controle van het Agentschap of van de door haar aangewezen erkende instelling.
5.7.2. Tijdelijke of bij gelegenheid uitgevoerde werkzaamheden
Evenzo is het bij gelegenheid uitvoeren van proeven of materiaaltesten of de aanwending van werkwijzen, waarbij ioniserende stralingen worden gebruikt op een werf of in een inrichting die daartoe geen vergunning heeft, slechts toegestaan aan speciaal hiertoe vergunde ondernemingen overeenkomstig dezelfde voorwaarden als onder 5.7.1.
5.7.3. Algemene bepalingen
Onverminderd de voorschriften van hoofdstuk VII betreffende het vervoer en de op basis hiervan opgelegde bijzondere voorwaarden worden de radioactieve stoffen, buiten de perioden waarin ze worden gebruikt, in hun verpakking bewaard in een daartoe vergunde inrichting, of in een door het Agentschap of door de aangewezen erkende instelling voor de duur van de werkzaamheden goedgekeurde werfopslagplaats, of in het voertuig.
Bewaring in het voertuig kan enkel gebeuren op voorwaarde dat:
- dit voertuig niet zonder bewaking achtergelaten wordt op de openbare weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats, of
- aangetoond wordt dat maatregelen getroffen werden die een equivalente beveiliging waarborgen.
Voor de toestellen die radioactieve stoffen bevatten dienen de afsluiter en/of het bedieningssysteem van het toestel beveiligd te zijn tegen het in werking stellen door onbevoegde personen.
Art. 6. - Vergunningsstelsel van de inrichtingen van klasse I
6.1. Overheid bevoegd voor het verlenen van de vergunning
De inrichtingen van klasse I moeten een oprichtings- en exploitatievergunning hebben, die door de Koning wordt verleend en bevestigd.
6.2. Te verstrekken inlichtingen en bescheiden
De vergunningsaanvraag wordt aan het Agentschap gericht in vijf exemplaren, of meer indien het erom verzoekt, en omvat:
- de naam, voornaam, hoedanigheid, woonplaats van de aanvrager en, eventueel, de maatschappelijke benaming van de onderneming, haar maatschappelijke, administratieve en exploitatiezetels, de namen en voornamen van de bestuurders of zaakvoerders, de identiteit van de exploitant, de naam en voornaam van het hoofd van de inrichting;
- de aard en het voorwerp van de inrichting, de aard en de kenmerken van de uitgezonden straling en de kenmerken van de aangewende toestellen, de fysische toestand, de hoeveelheid, de activiteit van de radioactieve stoffen, de bestemming van de toestellen of van de stoffen, de plaats waar de toestellen of stoffen worden gefabriceerd, voortgebracht, in bezit gehouden of aangewend worden, de beschermings- of veiligheidsmaatregelen die aanbevolen worden, zowel wat de toestellen en de stoffen, als wat de lokalen betreft waar ze zich bevinden, de wijze waarop de fysische controle van de inrichting voorzien in artikel 23 wordt georganiseerd, met eventueel inbegrip van de aanduiding van de erkende deskundige als hoofd van de fysische-controledienst, de aanduiding van de erkende geneesheer belast met het medisch toezicht op de werknemers, een voorstel tot aanduiding van een erkende instelling, belast met de in dit reglement voorziene controles en in het algemeen, al de maatregelen en middelen voorgesteld om de naleving van de in hoofdstuk III vastgestelde basisnormen te waarborgen, in het bijzonder deze die betrekking hebben op het optimaliseringsprincipe vermeld in artikel 20.1.1.1, punt b);
- de kwalificatie en de bevoegdheid van het personeel, belast met de productie, de verdeling, het gebruik en de bewaking van de stoffen en toestellen die ioniserende straling kunnen voortbrengen;
- bij benadering het aantal personen, die in de verschillende sectoren van de inrichting tewerkgesteld worden;
- de verbintenis een verzekeringspolis te zullen afsluiten om de burgerlijke aansprakelijkheid te dekken die uit nucleaire activiteiten voortspruit;
- de verbintenis zich in te schrijven bij NIRAS en met deze instelling een overeenkomst af te sluiten betreffende het beheer van het geheel van de radioactieve afvalstoffen;
- een kadastraal plan en een topografische opgave van de streek, gelegen in een straal van 500 m om de inrichting, alsook de gegevens betreffende de dichtheid van de bevolking binnen deze omtrek gehuisvest en een stafkaart op schaal 1/10.000 die een straal van 5 km rond de inrichting omvat;
- een voorlopig veiligheidsverslag dat volgende elementen bevat:
- de geografische en topografische gegevens van de vestigingsplaats (geologie, seismologie, hydrologie, meteorologie, klimatologie, economische activiteit met inbegrip van landbouw, verkeerswegen en demografie);
- een beknopte beschrijving van de installaties;
- de veiligheidsbeginselen die van toepassing zullen zijn op de bouw van de installaties en op hun toekomstige exploitatie, met inbegrip van de ontwerpongevallen van interne of externe oorsprong en de combinaties ervan;
- de keuze van de regels voor de constructie van de uitrustingen en de burgerlijke bouwkunde;
- de reeds beschikbare probabilistische veilig-heidsanalyses voor de inrichtingen bedoeld in de artikelen 3.1.a).1 en 3.1.a).3;
- de beknopte beschrijving van de belangrijkste kringen (vloeistofkringen, elektrische kringen) en van het bedieningsregelsysteem;
- de voorziene radioactieve lozingen in normale en accidentele toestand en de voorziene operationele limieten;
- de kwalificaties voor de mechanische en elektrische uitrustingen;
- de beginselen van de kwaliteitsborging;
- de te verwachten hoeveelheden geproduceerde radioactieve afvalstoffen, inclusief deze afkomstig van ontmanteling, hun behandeling en/of hun tijdelijke opslag alvorens verwijdering of overdracht naar NIRAS aangeeft. Deze nota is niet verplicht voor de inrichtingen ingedeeld onder artikel 3.1.a).5;
- een beschrijvend verslag, samen met een niet-technische samenvatting van de in het verslag vermelde inlichtingen, van een onderzoek van het milieu-effect dat de geplande inrichting kan hebben, dit is een wetenschappelijk onderzoek dat het geheel beschrijft van de directe en indirecte effecten op korte, middellange en lange termijn van het project op het leefmilieu, en dit meer bepaald de effecten die verband houden met ioniserende stralingen, en dat wordt verricht op initiatief van de aanvrager door een of verschillende door hem hiertoe aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen na goedkeuring door het Agentschap op grond van een dossier dat volgende elementen bevat:
- de namen en adressen van de personen die de studie uitvoeren;
- een kopie van de statuten en de lijst van de bestuurders wanneer het gaat om een maatschappij of vereniging;
- de titels, bekwaamheden en referenties van de personen die met de studie zullen worden belast;
- de technische bevoegdheden waarover die personen beschikken;
- elke andere door het Agentschap geëiste inlichting.
De milieu-effectbeoordeling omvat minstens:- gegevens analoog aan de "algemene gegevens" zoals ze zijn bepaald in de aanbevelingen van de Europese Commissie van 6 december 1999 (1999/829/Euratom) betreffende de toepassing van artikel 37 van het Euratom-verdrag;
- de nodige gegevens om de voornaamste milieu-effecten te kunnen bepalen en beoordelen die verband houden met ioniserende stralingen;
- een schets van de voornaamste alternatieven die werden onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven van de gemaakte keuze, met inachtneming van de milieu-effecten.
Indien de aanvrager daarom verzoekt verstrekt het Agentschap binnen een termijn van 60 kalenderdagen vanaf de ontvangst van de aanvraag advies over de te verstrekken gegevens, zonder afbreuk te doen aan de beoordelingsbevoegdheden bij de latere vergunningsprocedure.
6.3. Voorafgaande raadplegingen
6.3.1. Voorlopig voorafgaand advies van de Wetenschappelijke Raad
Bij ontvangst van de volledige aanvraag, maakt het Agentschap het dossier over aan de Wetenschappelijke Raad.
De Wetenschappelijk Raad kan eisen dat de aanvrager hem het advies meedeelt van elke nationale, internationale of buitenlandse deskundige of instelling over de algemene of bijzondere aspecten van de veiligheid of de salubriteit van de inrichting of de effecten ervan op het milieu. Hij kan dit advies eveneens rechtstreeks inwinnen.
De Raad kan de aanvrager oproepen en horen.
De Raad verstrekt een voorlopig voorafgaand advies. Indien dit advies gunstig is, kan het bijzondere, niet in dit reglement voorziene voorwaarden omvatten, die de Raad nodig acht om de veiligheid en de salubriteit van de inrichting te verzekeren en de effecten ervan op het milieu te beperken.
Het Agentschap deelt het voorlopig voorafgaand advies van de Wetenschappelijke Raad bij een ter post aangetekende brief mee aan de aanvrager. De aanvrager beschikt over een periode van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving om zijn eventuele opmerkingen in te dienen. Op zijn verzoek kan die periode door het Agentschap worden verlengd.
6.3.2. Internationale raadplegingen
In de gevallen voorzien bij artikel 37 van het Euratom-Verdrag, wint het Agentschap het advies van de Europese Commissie in.
De Wetenschappelijke Raad kan de Europese Commissie raadplegen over de algemene of bijzondere aspecten van de veiligheid of de salubriteit van de inrichting of de effecten ervan op het milieu.
Indien de Wetenschappelijke Raad van oordeel is dat de geplande inrichting aanzienlijke milieu-effecten kan hebben voor een of meerdere andere Staten die partij zijn bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of op het verzoek van een of meerdere van deze Staten die van oordeel zijn aanzienlijke effecten te kunnen ondergaan, maakt het Agentschap het in artikel 6.2.9 bedoelde verslag en samenvatting over aan die Staten, op hetzelfde ogenblik dat het dossier aan de betrokken burgemeesters wordt overgemaakt, zoals hierna is bepaald.
6.4. Advies van het schepencollege
Van zodra de aanvrager heeft laten weten dat hij geen opmerkingen heeft bij het voorlopig advies van de Wetenschappelijke Raad of van zodra hij een, in functie van het voorlopig advies van de Raad, gewijzigd dossier heeft ingediend, maakt het Agentschap een exemplaar van de aanvraag samen met het voorlopig voorafgaand advies van de Wetenschappelijke Raad over aan de burgemeester van de gemeente van de inrichting.
De burgemeester doet aan de exploitatiezetel en aan het gemeentehuis een bericht aanplakken dat het voorwerp van de aanvraag vermeldt en dat aankondigt dat, gedurende dertig kalenderdagen vanaf de eerste dag van het aanplakken op het gemeentehuis, inzage van de aanvraag, met inbegrip van de milieu-effectbeoordeling en het voorlopig voorafgaand advies van de Wetenschappelijke Raad, mag genomen worden en dat de eventuele klachten of opmerkingen gedurende die termijn kunnen ingediend worden. Dit openbaar onderzoek wordt in de periode van 15 juli tot 15 augustus echter opgeschort. Indien een straal van 5 km rond de inrichting andere gemeenten bestrijkt, stuurt het Agentschap een exemplaar van de aanvraag samen met het voorlopig voorafgaand advies van de Wetenschappelijke Raad aan de burgemeesters van die gemeenten, die de bevolking door aanplakking aan het gemeentehuis van het voornoemd bericht inlichten.
Elke burgemeester onderwerpt de aanvraag en het resultaat van het openbaar onderzoek aan het advies van het schepencollege.
Elke burgemeester stuurt het resultaat van het openbaar onderzoek en het advies van het schepencollege naar het Agentschap terug, binnen een termijn van zestig kalenderdagen vanaf de datum van ontvangst van het dossier. Indien het college geen advies verstrekt binnen de hiervoor toegestane termijn, wordt dit advies gunstig geacht; de periode van 15 juli tot 15 augustus maakt evenwel geen deel uit van die termijn.
6.5. Advies van de bestendige deputatie
Het Agentschap stuurt het aangevulde dossier naar de gouverneur van de provincie waar de exploitatiezetel gevestigd is.
Het dossier wordt overgemaakt aan de bestendige deputatie, die, binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de ontvangstdatum van het dossier door de gouverneur, een advies over de aanvraag uitbrengt. Indien de bestendige deputatie geen advies uitbrengt binnen de hierboven toegestane termijn, wordt dit advies gunstig geacht; de periode van 15 juli tot 15 augustus maakt evenwel geen deel uit van die termijn.
6.6. Definitief advies van de Wetenschappelijke Raad
De gouverneur maakt vervolgens het advies van de bestendige deputatie over aan het Agentschap, dat het dossier voorlegt aan de Wetenschappelijke Raad.
Wanneer hij in het bezit is van de opmerkingen die werden geformuleerd tijdens het openbaar onderzoek, van de adviezen van het of de schepencollege(s) en de bestendige deputatie, van de eventuele opmerkingen van de aanvrager over zijn voorlopig advies, het advies van de Europese commissie aangevraagd met toepassing van artikel 37 van het Euratom-Verdrag, en de opmerkingen die werden geformuleerd in het kader van de internationale raadplegingen voorzien in artikel 6.3.2, beraadslaagt de Raad opnieuw en brengt een gemotiveerd voorlopig advies uit.
Het advies van de Wetenschappelijke Raad wordt verstrekt binnen een termijn van negentig kalenderdagen vanaf de ontvangst van het advies van de Europese Commissie of van het advies van de bestendige deputatie, of binnen een langere termijn die de Raad moet rechtvaardigen.
Het Agentschap deelt onmiddellijk het advies van de Wetenschappelijke Raad bij een ter post aangetekende brief aan de aanvrager mee. Indien dit advies gunstig is kan het bijzondere voorwaarden bevatten die niet in dit reglement zijn voorzien en die de Raad nodig acht om de veiligheid en de salubriteit van de inrichting te waarborgen en om de effecten ervan op het milieu te beperken. De aanvrager beschikt over een periode van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving om zijn eventuele opmerkingen in te dienen. Op zijn vraag kan deze termijn door het Agentschap verlengd worden. De aanvrager wordt door de Wetenschappelijke Raad gehoord indien hij daartoe binnen dezelfde termijn een verzoek heeft ingediend.
Het advies van de Wetenschappelijke Raad wordt als definitief beschouwd, indien de aanvrager binnen de toegestane termijn geen bemerkingen formuleert of van zodra hij laat weten geen bemerkingen te hebben. Als de aanvrager opmerkingen maakt, beraadslaagt de Wetenschappelijke Raad opnieuw en brengt hij een definitief advies uit. Rekening houdend met de opmerkingen van de aanvrager kan het definitief advies, indien dit gunstig is, nog bijzondere voorwaarden bevatten die niet opgenomen zijn in het advies bedoeld in bovenvermeld tweede lid.
6.7. Beslissing
Onze beslissing, in de vorm van besluit getroffen, wordt mede ondertekend door de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren.
De oprichtings- en exploitatievergunning wordt geweigerd wanneer het advies van de Wetenschappelijke Raad ongunstig is. Wanneer het advies gunstig is en de vergunning toch wordt geweigerd, dient het weigeringsbesluit de redenen te vermelden waarom van dat advies afgeweken wordt. Het advies van de Wetenschappelijke Raad wordt gevoegd bij het in het eerste lid bedoelde besluit. Aan de gunstige beslissing kunnen voorwaarden verbonden worden; deze leggen onder andere de inhoud van het veiligheidsverslag vast.
6.8. Kennisgeving van de beslissing
Onze beslissing, met in bijlage het advies van de Wetenschappelijke Raad, wordt medegedeeld aan het Agentschap, dat de Wetenschappelijke Raad hierover inlicht; het Agentschap maakt een afschrift over aan:
- de aanvrager, bij een ter post aangetekende brief;
- de gouverneur van de provincie;
- de burgemeester van elke betrokken gemeente, die de beslissing laat aanplakken aan de exploitatiezetel indien deze op het grondgebied van zijn gemeente gelegen is en aan het gemeentehuis;
- de geneesheer-directeur van de Medische Inspectie van het gebied;
- de gezondheidsinspecteur van het gebied;
- de directeur-generaal van de Algemene Directie van de Civiele Bescherming;
- de directeur-generaal van NIRAS;
- in voorkomend geval, de overeenkomstig artikel 6.3.2 geïnformeerde Staten die partij zijn bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- het Directoraat-generaal Leefmilieu, in geval van raadpleging van de Europese commissie;
- in voorkomend geval, de directeur-generaal van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid van het Ministerie van Economische Zaken.
De beslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
6.9. Bevestigingsbesluit van de oprichtings- en exploitatievergunning van de inrichtingen van klasse I
Vóór de gedeeltelijke of gehele inbedrijfstelling van een inrichting van klasse I en het binnenbrengen in de installatie van de radioactieve stoffen waarvoor de vergunning vereist is, zal het Agentschap of de erkende instelling die het daartoe aanwijst, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 april 1994, op verzoek en ten laste van de exploitant, overgaan tot de oplevering van de installatie. De aanvraag tot oplevering omvat alle documenten die het mogelijk maken de conformiteit van de installaties met de voorwaarden van de oprichtings- en exploitatievergunning en, onder meer, met het veiligheidsrapport vast te stellen. In de oplevering wordt onder meer de overeenstemming met de bepalingen van dit reglement en met de bepalingen van het oprichtings- en exploitatievergunning van de inrichting nagegaan.
Indien het Agentschap of de erkende instelling geen volledig gunstig opleveringsverslag kunnen opstellen wordt dit door het Agentschap vooraf aan de exploitant medegedeeld waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen de vijftien kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
Het Agentschap maakt onverwijld het gunstig opleveringsverslag over aan de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren. Deze kan dan aan de Koning voorstellen de oprichtings- en exploitatievergunning te bevestigen.
De inbedrijfstelling van de inrichting en het binnenbrengen in de installatie van de radioactieve stoffen die het voorwerp van de vergunning uitmaken, kunnen slechts gebeuren nadat de Koning de oprichtings- en exploitatievergunning heeft bevestigd.
Art 7. - Vergunningsstelsel van de inrichtingen van klasse II
7.1. Overheid bevoegd voor het verlenen van de vergunning
De inrichtingen van klasse II moeten een oprichtings- en exploitatievergunning hebben die door het Agentschap wordt verleend.
7.2. Te verstrekken inlichtingen en bescheiden
De vergunningsaanvraag wordt aan het Agentschap gericht, in vijf exemplaren of meer indien het erom verzoekt, en omvat:
- de naam, voornaam, hoedanigheid en woonplaats van de aanvrager en, eventueel, de maatschappelijke benaming van de onderneming, haar maatschappelijke, administratieve en exploitatiezetels, de namen en voornamen van de bestuurders of zaakvoerders, de identiteit van de exploitant, de naam en voornaam van het hoofd van de inrichting;
- de aard en het voorwerp van de inrichting, de aard en de kenmerken van de uitgezonden stralingen; de kenmerken van de aangewende toestellen, de fysische toestand, de hoeveelheid, de activiteit van de radioactieve stoffen, de bestemming van de toestellen of van de stoffen, de plaats waar de toestellen of stoffen worden gefabriceerd, voortgebracht, in het bezit gehouden of aangewend, de aanbevolen beschermings- of veiligheidsmaatregelen, zowel wat de toestellen en stoffen als wat de lokalen betreft waar ze zich bevinden, en eventueel de aanwijzing van de erkende deskundige, hoofd van de eventuele fysische-controledienst, de aanduiding van de erkende geneesheer, belast met het medisch toezicht op de werknemers, een voorstel tot aanduiding van een erkende instelling, belast met de in dit reglement voorziene controles en meer algemeen alle aanbevolen maatregelen en middelen om de naleving van de in hoofdstuk III vastgestelde basisnormen te waarborgen, in het bijzonder deze die betrekking hebben op het optimaliseringsprincipe vermeld in artikel 20.1.1.1, punt b);
- de kwalificatie en de bevoegdheid van het personeel belast met de voortbrengst, de verdeling, het gebruik en de bewaking van de stoffen en toestellen die ioniserende stralingen kunnen voortbrengen ;
- bij benadering het aantal personen die in de verschillende sectoren van de inrichting tewerkgesteld worden;
- de verbintenis een verzekeringspolis te zullen afsluiten om de burgerlijke aansprakelijkheid te dekken die uit nucleaire activiteiten voortspruit;
- een plan opgemaakt op een schaal van ten minste 5 mm per meter, met aanduiding van de installaties en de lokalen die ze bevatten, alsook van de lokalen die op minder dan 20 m van de bronnen gelegen zijn en de bestemming van die lokalen;
- een kadastraal plan in de straal van 100 m rondom de inrichting; die straal bedraagt 500 m voor de inrichtingen bedoeld in artikel 3.1.b).1 en 2, alsook voor de inrichtingen bedoeld in het hierna vermelde punt 8;
- voor de inrichtingen waar bepaalde hoeveelheden van radionucliden worden gebruikt of in bezit worden gehouden, en waarvan de totale activiteit de vrijstellingsniveaus vastgelegd in bijlage IA met een factor 500.000 overschrijdt, rekening houdend met de toepassingscriteria beschreven in diezelfde bijlage, onder meer in het geval van een mengsel van radionucliden, wordt een verslag opgesteld waarin de meest ernstige ongevallen die zich kunnen voordoen in de installaties, worden beschreven en waarvan de waarschijnlijkheid van voorkomen evenals de te voorziene gevolgen voor de bevolking en de werkers worden geëvalueerd;
- een nota met de beschrijving van de behandeling en/of opslag van de eventuele radioactieve afvalstoffen, inclusief deze afkomstig van ontmanteling, alvorens verwijdering of overdracht naar NIRAS en inzonderheid:
- indien het vloeibare afvalstoffen betreft:
- het volume van het per maand alsook het maximum van het per dag geloosd afvalwater;
- de aard van de radionucliden die het kan bevatten en, voor elk van die nucliden, de maximale hoeveelheid per dag en per maand, uitgedrukt in becquerel;
- het eventueel gebruik van een bestaande afvoerleiding of van een aan te leggen afvoerleiding;
- een uittreksel uit het kadastraal plan of uit de stafkaart op schaal 1/10.000, dat de plaats van de lozing en het tracé van de afvoerleiding aanduidt;
- de doorsnede van de afvoerleiding en de aard van het materiaal waaruit zij bestaat;
- in geval van een rechtstreekse lozing in een waterloop, de raming van het debiet van de ontvangende waterloop bij lage waterstand;
- in geval van lozing in de riool:
- de toestand van het rioleringsstelsel in de gemeente;
- de toestand in verband met de zuivering van het rioolwater;
- een grondplan van de riolen met aanduiding van de plaats der betrokken lozing;
- de plaats en de inrichting van de controlekamer van de riolering;
- de gedetailleerde beschrijving van de inrichting voor het opslaan van de vloeibare afvalstoffen;
- indien het vaste afvalstoffen betreft:
- het volume en de maximale massa van de afvalstoffen, die per maand en per jaar te verwijderen, op te slaan of te vervoeren zijn;
- de chemische en fysische aard en de concentratie van de te verwijderen, op te slaan of te vervoeren afvalstoffen alsook het radioactiviteitsniveau, de radiotoxiciteit, de eventuele waarde van de kritieke massa en een raming van de warmtehoeveelheid die gedurende de duur van de opslag vrijkomt;
- een uittreksel uit het kadastraal plan of uit de stafkaart op schaal 1/10.000, met aanduiding van de plaats waar de vaste afvalstoffen zullen opgeslagen worden;
- de gedetailleerde beschrijving van de wijze waarop de vaste afvalstoffen verwijderd, opgeslagen of vervoerd zullen worden met de gedetailleerde plans van de voorgenomen gebouwen of van de toestellen die gebruikt zullen worden om die afvalstoffen te laden en te lossen, te vervoeren, te verwijderen en op te slaan;
- de voorgestelde maatregelen om in de bescherming te voorzien van het personeel dat belast wordt met het verwijderen, het laden en lossen, het vervoer en het opslaan van de vaste afvalstoffen en om de besmetting van de omgeving te voorkomen;
- indien het gasvormige effluenten betreft:
- het volume besmet gas dat per dag geloosd wordt en zijn temperatuur bij het lozingspunt;
- de aard van de radionucliden die het kan bevatten en, voor elk van die nucliden, de maximale hoeveelheid per dag en per maand, uitgedrukt in becquerel;
- het eventueel gebruik van een evacuatieschoorsteen en, in dat geval, zijn plaats, zijn afmetingen en de materialen waaruit hij vervaardigd is;
- de aanwijzingen omtrent de meteorologische en klimatologische omstandigheden van de streek en omtrent de in de streek overheersende windrichtingen;
- de gebruikte zuiveringstoestellen en hun verwachte doelmatigheid voor de verschillende betrokken radioactieve stoffen;
- de stations van de exploitant waar het toezicht op de meteorologische omstandigheden en op het radioactiviteitsniveau van de atmosfeer mogelijk is;
- indien het vloeibare afvalstoffen betreft:
- de verbintenis zich in te schrijven bij NIRAS en met deze instelling een overeenkomst af te sluiten betreffende het beheer van het geheel van de radioactieve afvalstoffen. Deze verplichting geldt niet voor inrichtingen waar uitsluitend toestellen gebruikt worden die röntgenstralen voortbrengen;
- in de gevallen waarin de limieten voor de lozing (vloeibare of gasvormige) vermeld in de artikelen 34 en 36 kunnen worden overschreden (in ongevalsomstandigheden, bij bijzondere meteorologische omstandigheden of omwille van welke reden dan ook): een verslag betreffende de radiologische gevolgen van deze vloeibare en/of gasvormige lozingen.
7.3. Adviezen
7.3.1. Algemene procedure
Bij ontvangst van de volledige aanvraag, maakt het Agentschap één exemplaar ervan over aan de burgemeester van de gemeente van de inrichting. Deze onderwerpt de aanvraag aan het advies van het schepencollege. Hij stuurt daarna het advies van het college, binnen een termijn van zestig kalenderdagen vanaf de datum van ontvangst van het dossier, terug naar het Agentschap. Indien het college geen advies verstrekt binnen de hiervoor toegestane termijn, wordt dit advies gunstig geacht; de periode van 15 juli tot 15 augustus maakt evenwel geen deel uit van die termijn.
Indien de straal van 100 m rond de inrichting andere gemeenten bestrijkt, is de bij vorig lid voorziene procedure toepasselijk op deze gemeenten.
7.3.2. Bijzondere procedure voor de inrichtingen bedoeld in artikel 3.1.b).1 en 2, en de inrichtingen bedoeld in artikel 7.2, 1e lid, punt 8
Voor de inrichtingen bedoeld in artikel 3.1.b).1 en 2 kan het Agentschap het bij de vergunningsaanvraag gevoegde dossier doen aanvullen met een verslag van een onderzoek naar de milieu-effecten, uit te voeren overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.2.9.
Hierbij houdt het Agentschap rekening met de criteria vermeld in bijlage III van de Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.
In de gevallen bedoeld in artikel 37 van het Euratom-Verdrag wint het Agentschap het advies in van de Europese Commissie.
Wanneer het Agentschap bovendien van oordeel is dat de geplande inrichting aanzienlijke milieu-effecten kan hebben voor een of meerdere andere Staten die partij zijn bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of op het verzoek van een of meerdere van deze Staten die van oordeel zijn aanzienlijke effecten te kunnen ondergaan, maakt het Agentschap het in het eerste lid bedoelde verslag en samenvatting over aan die Staten, op hetzelfde ogenblik dat het dossier aan de betrokken burgemeesters wordt overgemaakt, zoals hierna is bepaald.
Het Agentschap maakt een exemplaar van de aanvraag samen met, in voorkomend geval, het in het eerste lid bedoelde verslag over aan de burgemeester van de gemeente van de inrichting. Indien een straal van 500 m rond de inrichting andere gemeenten bestrijkt, stuurt het Agentschap een exemplaar van dit dossier aan de burgemeesters van die gemeenten.
Elke burgemeester moet aan het gemeentehuis en aan de exploitatiezetel, indien deze in zijn gemeente ligt, een bericht aanplakken dat het voorwerp van de aanvraag vermeldt en dat aankondigt dat, gedurende dertig kalenderdagen vanaf de eerste dag van het aanplakken op het gemeentehuis, inzage van de aanvraag mag genomen worden en dat de eventuele klachten of opmerkingen gedurende die termijn kunnen ingediend worden. Dit openbaar onderzoek wordt in de periode van 15 juli tot 15 augustus echter opgeschort.
Elke burgemeester onderwerpt de aanvraag en het resultaat van het openbaar onderzoek aan het advies van het schepencollege.
Elke burgemeester stuurt het resultaat van het openbaar onderzoek en het advies van het college terug naar het Agentschap binnen een termijn van zestig kalenderdagen vanaf de datum van verzending van het dossier door het Agentschap. Indien het college geen advies verstrekt binnen de hiervoor toegestane termijn, wordt dit advies gunstig geacht; de periode van 15 juli tot 15 augustus maakt evenwel geen deel uit van die termijn.
7.4. Beslissing van het Agentschap
Het Agentschap kan eisen dat de aanvrager hem het advies verstrekt van een deskundige over de algemene of bijzondere aspecten van de veiligheid of de salubriteit van de inrichting of de effecten ervan op het milieu. Het kan dit advies ook rechtstreeks inwinnen.
Het Agentschap kan de aanvrager oproepen en horen.
Het Agentschap doet uitspraak over de aanvraag binnen een termijn van negentig kalenderdagen vanaf de verzendingsdatum van het dossier door de burgemeester(s) of binnen een langere periode die het moet rechtvaardigen.
Indien de beslissing gunstig is, kan deze bijzondere voorwaarden bevatten die niet in dit reglement zijn voorzien en die het Agentschap nodig acht om de veiligheid en de salubriteit van de inrichting te waarborgen of om de bescherming van het milieu te verzekeren.
Indien het Agentschap van oordeel is dat de gevraagde vergunning niet kan worden toegekend wordt dit vooraf aan de aanvrager medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
7.5. Kennisgeving van de beslissing
Het Agentschap maakt een afschrift van zijn beslissing over aan:
- de aanvrager, bij een ter post aangetekende brief;
- de gouverneur van de provincie;
- de burgemeester van de gemeente van de exploitatiezetel en, in voorkomend geval, aan de burgemeesters van de andere gemeenten die werden geraadpleegd;
- de geneesheer-directeur van de Medische Inspectie van het gebied;
- de gezondheidsinspecteur van het gebied;
- in voorkomend geval, de directeur-generaal van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid van het Ministerie van Economische Zaken;
- in voorkomend geval, de directeur-generaal van NIRAS;
- in voorkomend geval, de overeenkomstig artikel 7.3.2 geïnformeerde Staten die partij zijn bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- het Directoraat generaal Leefmilieu in geval van raadpleging van de Europese commissie.
7.6. Aanplakking van de beslissing
De burgemeester van elke betrokken gemeente deelt aan de bevolking de getroffen beslissing mee door aanplakking van een bericht aan het gemeentehuis en aan de exploitatiezetel indien deze op het grondgebied van zijn gemeente gelegen is. Dit bericht meldt dat een afschrift van de beslissing op het gemeentehuis ter beschikking is en dat alle belanghebbenden, overeenkomstig artikel 7.7, tegen deze beslissing beroep kunnen aantekenen.
7.7. Beroep
Tegen de beslissing van het Agentschap kan bij Ons beroep worden aangetekend binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de dag waarop het bericht aan de exploitatiezetel werd aangeplakt.
Dit beroep wordt overgemaakt aan het Agentschap. Het Agentschap deelt aan de exploitant mee dat er beroep werd aangetekend en dat hij het recht heeft om door de Wetenschappelijke Raad gehoord te worden indien hij daartoe verzoekt binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving. Het Agentschap wint het advies in van de Wetenschappelijke Raad, die een advies moet verstrekken binnen de negentig kalenderdagen vanaf de ontvangst van het dossier, nadat de exploitant op zijn verzoek of op initiatief van de Raad gehoord werd. Indien dit advies gunstig is dan kan het bijzondere voorwaarden omvatten die niet voorzien zijn in dit reglement of in de betwiste beslissing.
7.8. Beslissing na beroep
Onze beslissing, in de vorm van besluit getroffen, wordt mede ondertekend door de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren, alsook door de Minister tot wiens bevoegdheid de economische zaken behoren voor de inrichtingen die onder toezicht staan van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid.
De vergunning wordt geweigerd indien het advies van de Wetenschappelijk Raad ongunstig is. Wanneer het advies gunstig is, dient het eventueel weigeringsbesluit de redenen te vermelden waarom van het advies wordt afgeweken. Het advies van de Wetenschappelijke Raad wordt bij het besluit gevoegd.
7.9. Kennisgeving van de beslissing
Onze beslissing wordt meegedeeld aan het Agentschap, dat een afschrift overmaakt aan:
- de aanvrager van de vergunning en/of de personen die beroep aantekenden, bij een ter post aangetekende brief;
- de gouverneur van de provincie;
- de burgemeester van de gemeente van de exploitatiezetel en, in voorkomend geval, aan de burgemeesters van de andere gemeenten die werden geraadpleegd;
- de geneesheer-directeur van de Medische Inspectie van het gebied;
- de gezondheidsinspecteur van het gebied;
- in voorkomend geval, de directeur-generaal van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid van het Ministerie van Economische Zaken;
- in voorkomend geval, de directeur-generaal van NIRAS;
- in voorkomend geval, de overeenkomstig artikel 7.3.2 geïnformeerde Staten die partij zijn bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
- het Directoraat generaal Leefmilieu, in geval van raadpleging van de Europese commissie.
Het advies van de Wetenschappelijke Raad wordt bij de beslissing gevoegd.
Art. 8. - Vergunningsstelsel van de inrichtingen van klasse III
8.1. Overheid bevoegd voor het verlenen van de vergunning van klasse III
Voor de inrichtingen van klasse III, verleent het Agentschap de oprichtings- en exploitatievergunning, indien de exploitant een aangifte indient die beantwoordt aan de voorwaarden vermeld in artikel 8.2.
8.2. Te verstrekken inlichtingen en bescheiden
Deze aangifte moet, in drie exemplaren, aan het Agentschap toegestuurd worden en omvat:
- de naam, voornaam, hoedanigheid en woonplaats van de aanvrager en, eventueel, de maatschappelijke benaming van de onderneming, haar maatschappelijke, administratieve en exploitatiezetels, de namen en voornamen van de bestuurders of zaakvoerders, de identiteit van de exploitant, de naam en voornaam van het hoofd van de inrichting;
- de aard en het voorwerp van de inrichting, de aard en de kenmerken van de uitgezonden straling, de kenmerken van de aangewende toestellen, de fysische toestand, de hoeveelheid, het radioactiviteitsniveau van de radioactieve stoffen, de bestemming van de toestellen of van de stoffen, de plaats waar de toestellen of stoffen worden gefabriceerd, voortgebracht, in bezit gehouden of aangewend, de beschermings- of veiligheidsmaatregelen die aanbevolen worden zowel wat de toestellen en de stoffen, als de lokalen betreft waar ze zich bevinden en eventueel de aanduiding van de erkende deskundige, hoofd van de eventuele fysische-controledienst, de aanduiding van de erkende geneesheer, belast met het medisch toezicht op de werknemers, een voorstel tot aanduiding van een erkende instelling, belast met de in dit reglement voorziene controles en in het algemeen al de maatregelen en middelen voorgesteld om de naleving van de in hoofdstuk III bepaalde basisnormen te waarborgen, in het bijzonder deze die betrekking hebben op het optimalisatieprincipe vermeld in artikel 20.1.1.1, punt b);
- de kwalificatie en de bevoegdheid van het personeel belast met de voortbrengst, de verdeling, het gebruik en de bewaking van de stoffen en toestellen die ioniserende straling kunnen voortbrengen;
- bij benadering, het aantal personen die in verschillende sectoren van de inrichting tewerkgesteld worden;
- de verbintenis een verzekering af te sluiten om de burgerlijke aansprakelijkheid te dekken die uit nucleaire activiteiten voortspruit;
- een plan opgemaakt op een schaal van ten minste 5 mm per meter, met aanduiding van de installaties en van de lokalen die ze bevatten, alsook de lokalen die op minder dan 20 m van de bronnen gelegen zijn en de bestemming van die lokalen;
- de verbintenis zich in te schrijven bij NIRAS en met deze instelling een overeenkomst af te sluiten betreffende het beheer van het geheel van de radioactieve afvalstoffen. Deze verbintenis is niet vereist voor inrichtingen die uitsluitend toestellen gebruiken die röntgenstralen voortbrengen.
8.3. Beslissing van het Agentschap
Het Agentschap doet uitspraak over de aangifte binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de ontvangst van het dossier of binnen een langere periode die het moet rechtvaardigen. Indien het Agentschap van oordeel is dat de vergunning niet kan worden toegekend, wordt dit vooraf aan de indiener van de aangifte medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
Indien de beslissing gunstig is, kan ze bijzondere vergunningsvoorwaarden bevatten die niet in dit reglement zijn voorzien en die het Agentschap nodig acht om de veiligheid en de salubriteit van de inrichting te waarborgen of de bescherming van het milieu te verzekeren.
8.4. Kennisgeving van de beslissing
Het Agentschap maakt een afschrift van zijn beslissing over aan:
- de indiener van de aangifte, bij een ter post aangetekende brief;
- de gouverneur van de provincie;
- de burgemeester van de gemeente van de exploitatiezetel;
- de geneesheer-directeur van de Medische Inspectie van het gebied;
- de gezondheidsinspecteur van het gebied;
- in voorkomend geval, de directeur-generaal van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid voor de inrichtingen die onder zijn toezicht staan;
- in voorkomend geval, de directeur-generaal van NIRAS.
8.5. Beroep
Binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving van de beslissing, kan tegen de beslissing van het Agentschap bij de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren beroep worden aangetekend.
Dit beroep wordt overgemaakt aan het Agentschap. Het Agentschap deelt aan de exploitant mee dat er beroep werd aangetekend en dat hij het recht heeft om door de Wetenschappelijke Raad gehoord te worden indien hij daartoe verzoekt binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving. Het Agentschap wint het advies in van de Wetenschappelijke Raad, die een advies moet verstrekken binnen negentig kalenderdagen vanaf ontvangst van het dossier, nadat de exploitant op zijn verzoek of op initiatief van de Raad gehoord werd. Indien dit advies gunstig is, kan het bijzondere voorwaarden omvatten die niet voorzien zijn in dit reglement of in de betwiste beslissing.
De Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren, doet uitspraak over het beroep.
8.6. Kennisgeving van de beslissing
De beslissing wordt meegedeeld aan het Agentschap, dat hiervan een afschrift overmaakt aan de personen vermeld in artikel 8.4 en, in voorkomend geval, aan de personen die beroep aantekenden.
Het advies van de Wetenschappelijke Raad wordt bij de beslissing gevoegd.
Art. 9. - Stelsel van toepassing op de beroepsactiviteiten waar natuurlijke stralingsbronnen aangewend worden
9.1. De beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 4 dienen het voorwerp uit te maken van een aangifte gericht aan het Agentschap.
Deze aangifte moet, in drie exemplaren, aan het Agentschap toegestuurd worden en omvat:
- de naam, voornamen, hoedanigheid en woonplaats van de persoon die de aangifte indient en eventueel de maatschappelijke benaming van de onderneming, haar maatschappelijke, administratieve en exploitatiezetels, de namen en de voornamen van de bestuurders of zaakvoerders, de identiteit van de exploitant, de naam en voornaam van het hoofd van de inrichting;
- voor de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 4, punt 1:
- de beschrijving en het doel van de inrichting;
- de details van de meetomstandigheden en de resultaten van alle uitgevoerde radonanalyses; deze metingen moeten op zijn minst worden uitgevoerd in de ondergrondse werkruimten met de hoogste bezettingsgraad en in enkele representatieve werkruimten op het gelijkvloers;
- voor de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 4, punt 2:
- de aard en het voorwerp van de inrichting;
- de aard en de kenmerken van de natuurlijke stralingsbronnen die aanwezig zijn of die worden aangewend;
- de beschrijving van de processen die kunnen leiden tot een aanrijking van de aanwezige radionucliden (flow chart);
- het aantal personen betrokken in de verschillende sectoren van de inrichting;
- de beschermingsmaatregelen die actueel worden genomen of aanbevolen en, desgevallend, de fysische toestand van deze natuurlijke stralingsbronnen, hun hoeveelheden, hun radioactiviteitsniveau, hun bestemming, de plaatsen waar ze in bezit worden gehouden, waar ze worden aangewend of waar ze worden opgeslagen;
- de maatregelen die worden getroffen inzake de karakterisatie, de behandeling, de bewaring en de verwijdering van de geproduceerde afvalstoffen;
- de aard en het voorwerp van de inrichting;
- voor de ondernemingen die vliegtuigen exploiteren:
- de beschrijving van de methodes en voorwaarden voor het meten of de schatting van de doses ten gevolge van de blootstelling van het vliegtuigpersoneel aan kosmische straling;
- de resultaten van de meting of de schatting van de blootstelling van het vliegtuigpersoneel aan kosmische straling.
9.2. In de gevallen bedoeld in artikel 37 van het Euratom-Verdrag wint het Agentschap het advies in van de Europese Commissie.
Het Agentschap kan analyses of bijkomende metingen eisen om zodoende de aanwezige natuurlijke stralingsbronnen of de blootstelling die er een gevolg van kan zijn beter te kunnen karakteriseren.
Het Agentschap kan ook eisen dat de inrichting hem informatie verstrekt over het advies verleend door een deskundige aangaande de algemene of bijzondere aspecten van de veiligheid of de gezondheid in de inrichting of inzake de gevolgen voor het leefmilieu; hij kan dit advies eveneens rechtstreeks vragen.
9.3. Indien de dosisniveaus die zijn vastgesteld in artikel 20.3 voor de personen van het publiek of voor beroepshalve blootgestelde personen worden overschreden of kunnen worden overschreden, kan het Agentschap correctieve maatregelen opleggen. Indien ondanks deze correctieve maatregelen, de dosisniveaus vastgesteld in artikel 20.3 voor de personen van het publiek of voor de beroepshalve blootgestelde personen toch nog worden of kunnen worden overschreden, wordt er door het Agentschap opgelegd dat alle, of een gedeelte van de reglementaire voorschriften die krachtens dit reglement van toepassing zijn op handelingen, van toepassing zullen zijn voor de betrokken inrichting.
Voor de ondernemingen die vliegtuigen exploiteren dient het ondernemingshoofd, indien de dosisniveaus, vastgesteld in artikel 20.3, voor beroepshalve blootgestelde personen, worden overschreden of kunnen worden, onverminderd de maatregelen die door het Agentschap worden opgelegd krachtens de bepalingen van dit artikel:
- de individuele doses te bepalen van het personeel, ten gevolge van de blootstelling aan kosmische straling;
- rekening te houden met deze dosisschattingen bij het opstellen van de werkschema's, teneinde hoge doses bij het vliegtuigpersoneel te vermijden;
- de betrokken werkers te informeren over de gezondheidsrisico's die hun werk met zich meebrengt;
- artikel 20.1.1.3 toe te passen voor het vrouwelijke vliegtuigpersoneel.
9.4. Beslissing van het Agentschap
Indien het Agentschap van oordeel is dat, overeenkomstig artikel 9.3, eerste lid, sommige voorschriften van dit reglement moeten nageleefd worden, wordt dit vooraf aan de indiener van de aangifte medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
De beslissing wordt genomen in de vorm van een vergunning en kan ook bijzondere voorwaarden bevatten die niet in dit reglement zijn voorzien en die het Agentschap nodig acht om de veiligheid en de salubriteit te waarborgen of de bescherming van het milieu te verzekeren.
9.5. Kennisgeving van de beslissing
Het Agentschap maakt een afschrift van de vergunning over aan:
- de indiener van de aangifte, bij een ter post aangetekende brief;
- de gouverneur van de provincie;
- de burgemeester van de gemeente van de exploitatiezetel;
- de geneesheer-directeur van de Medische Inspectie van het gebied;
- de gezondheidsinspecteur van het gebied;
- in voorkomend geval, de directeur-generaal van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid voor de inrichtingen die onder zijn toezicht staan;
- in voorkomend geval, de directeur-generaal van NIRAS.
9.6. Beroep
Binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving van de vergunning, kan tegen de beslissing van het Agentschap bij de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren beroep worden aangetekend.
Dit beroep wordt overgemaakt aan het Agentschap. Het Agentschap deelt aan de exploitant mee dat er beroep werd aangetekend en dat hij het recht heeft om door de Wetenschappelijke Raad gehoord te worden indien hij daartoe verzoekt binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving. Het Agentschap wint het advies in van de Wetenschappelijke Raad, die een advies verstrekt binnen negentig kalenderdagen vanaf ontvangst van het dossier, nadat de exploitant op zijn verzoek of op initiatief van de Raad gehoord werd. Indien dit advies gunstig is, kan het bijzondere voorwaarden omvatten die niet voorzien zijn in dit reglement of in de betwiste beslissing.
De Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren, doet uitspraak over het beroep.
De beslissing wordt meegedeeld aan het Agentschap, dat hiervan een afschrift overmaakt aan de personen vermeld in artikel 9.5 en, in voorkomend geval, aan de personen die beroep aantekenden.
Het advies van de Wetenschappelijke Raad wordt bij de beslissing gevoegd.
Art. 10. [voorbehouden]
Art. 11. - Gemengde inrichtingen
11.1. De vergunningsaanvragen betreffende de inrichtingen die installaties behorend tot verschillende klassen omvatten, worden behandeld overeenkomstig de bepalingen betreffende de hoogste klasse.
11.2. De inrichtingen die vergunningsplichtig zijn op grond van de milieuwetgeving en bovendien behoren tot een inrichting ingedeeld krachtens artikel 3 en door het Agentschap onontbeerlijk worden geacht voor de werking of de exploitatie van de inrichting, moeten vergund worden door de krachtens dit reglement bevoegde overheid.
De hiervoor te verstrekken inlichtingen en bescheiden zijn deze die door het in het eerste lid vermelde reglementeringen bepaald zijn. De onderzoeksformaliteiten zijn die welke door onderhavig reglement voor de betrokken onderneming bepaald zijn.
Art. 12. - Uitbreiding en wijziging van de inrichting
Van ieder ontwerp tot wijziging of uitbreiding van de inrichting moet aangifte gedaan worden aan het Agentschap.
Het Agentschap beslist of die wijziging of uitbreiding het voorwerp moet uitmaken van een nieuwe vergunning en/of milieu-effectbeoordeling. Hierbij houdt het rekening met de criteria vermeld in bijlage III van de Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.
Indien deze wijziging of uitbreiding evenwel de overgang van een lagere klasse naar een hogere klasse tot gevolg heeft, is de voor die laatste klasse opgelegde vergunningsprocedure te volgen.
Indien voor klasse II of III, de wijziging geen overgang van een lagere klasse naar een hogere klasse inhoudt, kan het Agentschap afwijken van een of meer van de formaliteiten bepaald in de artikelen 7 en 8.
Voor de klasse I, kan de aanvrager door tussenkomst van het Agentschap, de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren verzoeken af te wijken van een of meerdere formaliteiten bepaald in artikel 6. Het is evenwel verboden af te wijken van de artikelen 6.3.1 en 6.6 die betrekking hebben op het raadplegen van de Wetenschappelijke Raad. Bij de beslissing over de aanvragen tot afwijking van artikel 6.2, punt 9, houdt de Minister rekening met de criteria vermeld in bijlage III van de Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. De Minister doet uitspraak over de aanvraag binnen een termijn van dertig kalenderdagen na ontvangst van de afwijkingsaanvraag en deelt dit mee aan het Agentschap. Indien de Minister geen beslissing neemt binnen de toegestane termijn, wordt de beslissing gunstig geacht, wanneer het advies van het Agentschap gunstig is.
Het nieuwe besluit wordt bekendgemaakt en aangeplakt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 6.8, 7.5, 7.6 of 8.4 naargelang van het geval.
Art. 13. - Aanvullende voorwaarden en wijziging van de vergunningsvoorwaarden
De overheid bevoegd voor het verlenen van de vergunning kan de vergunning aanvullen of wijzigen; voor de inrichtingen van klasse I, raadpleegt ze vooraf de Wetenschappelijke Raad.
Bovendien kan de Wetenschappelijke Raad op eigen initiatief nieuwe voorwaarden voorstellen of op voorstel van de diensten van het Agentschap die met het toezicht zijn belast. De Wetenschappelijke Raad handelt ten aanzien van de betrokken exploitant overeenkomstig artikel 6.6.
Het nieuwe besluit wordt bekendgemaakt en aangeplakt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 6.8, 7.5, 7.6, 8.4 of 9.5 naargelang het geval.
Voor de inrichtingen vergund door het Agentschap, is beroep mogelijk voor de betrokkenen overeenkomstig de bepalingen van artikel 7.7, 8.5 of 9.6. Dit beroep schorst de betwiste beslissing.
Art. 14. - [voorbehouden]
Art. 15. - Oplevering van de installaties en bevestiging van de vergunning van de inrichtingen van klasse II en III
Ingevolge de vergunning verleend voor de inrichtingen van klasse II en III, heeft de aanvrager het recht onder zijn verantwoordelijkheid over te gaan tot het bouwen en het aanleggen van de installaties overeenkomstig de bepalingen van de verleende vergunning.
Onverminderd de toepassing van de wet van 22 juli 1985 betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid op het gebied van kernenergie, wat de erkenning van de exploitant van een kerninstallatie betreft, mag de inwerking- of inbedrijfstelling van de installaties slechts gebeuren nadat het proces-verbaal van oplevering van het Agentschap of van de hiertoe aangewezen erkende instelling, volledig gunstig is en de inwerking- of inbedrijfstelling uitdrukkelijk toestaat.
De exploitant moet, bij een ter post aangetekende brief, het Agentschap ten minste dertig kalenderdagen vooraf, de datum van de voorziene inbedrijfstelling ter kennis brengen.
Vóór deze inbedrijfstelling maakt hij het Agentschap, in voorkomend geval, een eensluidend afschrift over van het proces-verbaal van oplevering dat door de erkende instelling is opgesteld en van de verzekeringspolis die werd onderschreven overeenkomstig de verbintenis volgens de bepalingen van de artikelen 7 en 8.
Art. 16. - Schorsing en intrekking van de vergunningen
Wanneer de bepalingen van dit reglement of de voorwaarden van de oprichtings- en exploitatievergunning niet nageleefd worden, kan de overheid die naargelang het geval in eerste instantie of in beroep uiteindelijk de beslissing tot afgifte van deze vergunning heeft genomen, op initiatief van het Agentschap, de vergunning schorsen of intrekken. Voor de inrichtingen waarvoor in laatste instantie een vergunning werd afgeleverd door Ons of door de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren wint het Agentschap hiervoor eerst het advies in van de Wetenschappelijke Raad. De Wetenschappelijke Raad of het Agentschap voor de inrichtingen die door dit laatste vergund worden hoort vooraf de betrokken exploitant indien deze daartoe verzoekt binnen de vijftien kalenderdagen nadat hij hiertoe werd uitgenodigd. De beslissing tot schorsing of intrekking wordt betekend zoals bepaald in de artikelen 6, 7, 8 of 9 naargelang het geval.
De beslissing tot schorsing of intrekking kan bepalen in welke toestand de exploitant de installatie moet brengen, onverminderd de bijkomende veiligheidsmaatregelen die hijzelf nodig oordeelt. De beslissing kan eveneens elke latere vorm van controle bepalen.
Beroep staat bij Ons open, binnen dertig kalenderdagen vanaf de voormelde kennisgeving, wat betreft de inrichtingen van klasse II die in laatste instantie door het Agentschap werden vergund. Het wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 7.7.
Voor inrichtingen van klasse III en beroepsactiviteiten waarvoor in laatste instantie door het Agentschap vergunning werd verleend staat beroep open bij de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren. Voor de inrichtingen van klasse III en beroepsactiviteiten waarvoor in laatste instantie vergunning werd verleend door de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren, staat beroep bij Ons open. Deze beroepen worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 8.5 of 9.6 naargelang het geval.
De in dit artikel bedoelde beroepen schorsen schorsingsbesluiten of -akten, maar niet intrekkingsbesluiten of -akten.
Wanneer de beslissing om de vergunning van inrichtingen, waar radioactieve stoffen of toestellen die er bevatten, aanwezig zijn, te schorsen of in te trekken definitief is, moet de exploitant of, eventueel de personen die wettelijk bevoegd zijn de vereffening ervan uit te voeren, de bepalingen van artikel 17.1 naleven.
Art. 17. - Stopzetting van activiteit en ontmanteling
17.1. In geval van stopzetting, om welke reden ook, van één of meerdere activiteiten van een inrichting van klasse I, II of III, of van een vergunde beroepsactiviteit, moet de exploitant of, in voorkomend geval, de personen die wettelijk bevoegd zijn de vereffening ervan uit te voeren, hiervan het Agentschap onmiddellijk op de hoogte brengen. Zij verwittigen eveneens NIRAS en de overheden vermeld in artikel 6.8, 7.5, 8.4 of 9.5 naargelang het geval. Zij moeten aan alle radioactieve stoffen een bestemming geven die de verwijdering, de recyclage of het hergebruik ervan onder bevredigende voorwaarden waarborgt, onverminderd de bepalingen van artikel 18 en andere wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de radioactieve afvalstoffen.
De aan het Agentschap gerichte melding, bedoeld in het eerste lid, bevat minstens de aanwijzing door de exploitant van die bestemming. De overheid die bevoegd is voor het verlenen van de vergunning kan bijkomende voorwaarden opleggen of de vergunningsvoorwaarden wijzigen door dezelfde procedure te volgen als die bepaald in artikel 13.
17.2. De ontmanteling van de installaties, die behoren tot de inrichtingen van klasse I of van inrichtingen van klasse II bepaald in de artikelen 3.1.b).1 en 3.1.b).2, is onderworpen aan een voorafgaande vergunning, die door de Koning of door het Agentschap volgens volgende procedure wordt verleend.
De vergunningsaanvraag voor de ontmanteling van de inrichtingen wordt in vijf exemplaren aan het Agentschap gericht en bevat minstens de voorstellen van de exploitant of, eventueel, van de personen die wettelijk bevoegd zijn de vereffening ervan uit te voeren, over:
- de modaliteiten voor de ontmanteling van de installaties;
- de verwijdering en de bestemming van de geactiveerde of besmette materialen, de radioactieve stoffen of de toestellen die er bevatten en in voorkomend geval de informatie bedoeld in artikel 18.2;
- de bestemming van de vestigingsplaats;
- alsook alle andere bepalingen die de gezondheid en de veiligheid van de werknemers en van de bevolking kunnen waarborgen en het milieu beschermen zowel tijdens de ontmanteling en de voorbereidende werkzaamheden als na afloop ervan;
- in voorkomend geval, de informatie bepaald in 6.2.9.
Die aanvraag omvat het advies van NIRAS inzake de aspecten die betrekking hebben op haar bevoegdheden en de voorstellen die dienaangaande door deze instelling zijn geformuleerd. Naargelang het geval, is de procedure bepaald in de artikelen 6.3 tot 6.8, 7.3 tot 7.9, van toepassing op de ontmantelingsvergunning.
Onverminderd de bepalingen van artikel 18 is de toevoeging van een milieu-effectbeoordeling verplicht voor inrichtingen van klasse I. Wat de in het eerste lid vermelde inrichtingen van klasse II betreft, wordt overeenkomstig de regeling van artikel 7.3.2 beslist of al dan niet een milieueffectbeoordeling moet uitgevoerd worden, eveneens onverminderd de bepalingen van artikel 18.
17.3. Voor elk voorstel tot belangrijke wijziging in verband met de procedures, de toestand van de ontmanteling, de bestemming van de gebouwen of van de vestigingsplaats, moet een aanvraag tot vergunning worden gericht aan de bevoegde overheid die hierover uitspraak doet. De bevoegde overheid kan afwijken van één of meerdere van de in de artikelen 6 en 7 bepaalde formaliteiten overeenkomstig de modaliteiten die zijn vastgesteld in artikel 12.
De overheid die de vergunning verleende kan bijkomende voorwaarden opleggen of de vergunningsvoorwaarden wijzigen volgens dezelfde procedure als die welke in artikel 13 is bepaald.
17.4. Vooraleer wordt gestart met de ontmanteling van de installaties van de inrichtingen van klasse II, met uitzondering van de inrichtingen bedoeld in de artikelen 3.1.b).1 en 3.1.b).2, van de inrichtingen van klasse III, alsook van de installaties die verbonden zijn aan een vergunde beroepsactiviteit, moet de exploitant, of eventueel de personen die wettelijk bevoegd zijn de vereffening ervan uit te voeren, hiervan het Agentschap onmiddellijk op de hoogte brengen. Zij verwittigen eveneens de ambtenaren vermeld in artikel 6.8, 7.5, 8.4 of 9.5 naargelang het geval.
Deze melding omvat minstens de aanwijzing door de exploitant van de bestemming of heraanwending van de radioactieve stoffen.
Art. 18. - Vergunningen voor verwijdering, recyclage of hergebruik van vaste radioactieve afvalstoffen
18.1. De verwijdering, de afvoer voor recyclage of hergebruik van vaste radioactieve afvalstoffen afkomstig van inrichtingen van klasse I, II of III bedoeld in artikel 3, die niet beantwoorden aan de vrijgaveniveaus en -voorwaarden vastgesteld in Bijlage IB, dienen het voorwerp uit te maken van een vergunning van het Agentschap.
De verwijdering, de afvoer voor recyclage of hergebruik van vaste radioactieve afvalstoffen afkomstig van beroepsactiviteiten vergund met toepassing van artikel 9, dienen eveneens het voorwerp uit te maken van een vergunning van het Agentschap.
18.2. De aanvraag moet, in drie exemplaren, toegestuurd worden aan het Agentschap en omvat de volgende documenten:
- een beschrijving van de historiek van het betreffende vaste radioactieve afvalstoffen;
- een impactstudie waarbij wordt aangetoond dat de criteria inzake stralingsbescherming, zoals vastgesteld in punt 2 van bijlage IB en, wat betreft de vaste radioactieve afvalstoffen afkomstig van inrichtingen van klasse I, II of III bedoeld in artikel 3, in punt 3 van bijlage IB, worden nageleefd en dit voor de verschillende geschikte scenario's;
- een onderzoek aangaande het eventuele nut van vervalstockage;
- een onderzoek aangaande de mogelijkheden tot hergebruik van de afvalstoffen in een andere handeling die valt binnen het stelsel van de geklasseerde inrichtingen, in de zin van dit reglement;
- een document waarin wordt aangetoond dat de opties waarvoor de overheid het spoor van de verwijderde, gerecycleerde of hergebruikte producten kan behouden, werden overwogen en er voorrang werd aan verleend;
- een beschrijving van de meetprocedures en -technieken die gebruikt worden om de overeenstemming met de gevraagde concentratieniveaus voor verwijdering, recyclage of hergebruik na te gaan;
- de beschrijving van de middelen die worden voorzien om de bestemming van de stoffen en van het materiaal waarvoor een verwijdering naar een stortplaats of voor verbranding, recyclage of een hergebruik wordt voorzien, te garanderen.
18.3. Beslissing van het Agentschap
Het Agentschap kan voorschrijven dat, in het kader van de impactstudie, bijkomende scenario's het voorwerp van een diepgaande studie uitmaken.
Het Agentschap zal voorrang verlenen aan de opties waar het de stoffen kan blijven opsporen en de totale activiteit en het totaal volume van de verwijderde, gerecycleerde of hergebruikte vaste radioactieve afvalstoffen zo laag als redelijkerwijze mogelijk zijn.
De concentratieniveaus die vastgesteld worden in de vergunningen die door het Agentschap verleend worden zullen zo laag als redelijkerwijze mogelijk zijn en mogen, wat betreft de vaste radioactieve afvalstoffen afkomstig van inrichtingen van klasse I, II of III bedoeld in artikel 3, niet hoger zijn dan de vrijstellingsniveaus die in Bijlage IA vastgesteld zijn. Zij moeten de naleving waarborgen van de criteria inzake stralingsbescherming die in punt 2 van bijlage IB en, wat betreft de vaste radioactieve afvalstoffen afkomstig van inrichtingen van klasse I, II of III bedoeld in artikel 3, in punt 3 van Bijlage IB zijn bepaald. Bij het vaststellen moet rekening gehouden worden met de beschikbare internationale aanbevelingen, de Europese in het bijzonder.
Het Agentschap kan aan de vergunningen bijkomende voorwaarden verbinden die niet in dit reglement voorzien zijn en die het nodig acht om de veiligheid en de salubriteit van de onderneming, en de bescherming van het leefmilieu te waarborgen of om de naspeurbaarheid van de vrijgegeven afvalstoffen te verbeteren.
Het Agentschap deelt het voorstel van beslissing mee aan de aanvrager, waarbij het verduidelijkt dat hij het recht heeft om gehoord te worden binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving.
Art. 19. - Schadevergoedingen
De weigering, de schorsing of de intrekking van de vergunning, alsook de inbeslagname van radioactieve stoffen of toestellen, kan geen aanleiding geven tot schadevergoeding.


Terug naar boven
